![]() |
![]() |
|
|
PAUSELIJKE RAAD COMPENDIUM AAN ZIJNE HEILIGHEID
INHOUDSTAFEL Lijst met afkortingen
Inleiding a) Bij het aanbreken van het derde millennium
Hoofdstuk een I. Gods bevrijdende optreden in de geschiedenis van Israël
II. Jezus Christus. De vervulling van het liefdesplan van de Vader
III. De menselijke persoon in Gods liefdesplan
IV. Gods plan en de zending van de Kerk
Hoofdstuk twee I. Evangelisatie en sociale leer
II. De natuur van de sociale leer van de Kerk
III. De sociale leer van de Kerk in onze tijd: een historische schets
Hoofdstuk drie I. De sociale leer en het personalistische principe II. De menselijke persoon als “Imago Dei” a) Schepsel naar het beeld van
God III. De vele aspecten van de menselijke persoon
IV. Mensenrechten
Hoofdstuk vier I. Betekenis en eenheid II. Het principe van het algemeen welzijn
III. De universele bestemming van de goederen
IV. Het subsidiariteitsbeginsel
V. Participatie
VI. Het solidariteitsbeginsel
VII. De fundamentele waarden van het sociale leven
VIII. De weg van de liefde
Hoofdstuk vijf I. Het gezin, de eerste natuurlijke maatschappij
II. Het huwelijk, het fundament van het gezin
III. De sociale subjectiviteit van het gezin
IV. Het gezin als protagonist van het sociale leven
V. De maatschappij ten dienste van het gezin Hoofdstuk zes I. Bijbelse aspecten
II. De profetische waarde van Rerum Novarum III. De waardigheid van de arbeid
IV. Het recht op arbeid
V. De rechten van de arbeiders
VI. Solidariteit tussen de arbeiders
VII. De “Res novae” in de wereld van de arbeid
Hoofdstuk zeven I. Bijbelse aspecten
II. Moraal en economie III. Privé-initiatief en de onderneming
IV. Economische instituties in dienst van de mens
V. De “Res novae” in de economische sector
Hoofdstuk acht I. Bijbelse aspecten
II. Grondslag en doel van de politieke gemeenschap
III. Het politieke gezag
IV. Het democratische systeem
V. De politieke gemeenschap ten dienste van de burgerlijke maatschappij
VI. De staat en de religieuze gemeenschappen
Hoofdstuk negen I. Bijbelse aspecten
II. De fundamentele regels van de internationale gemeenschap.
III. De organisatie van de internationale gemeenschap
IV. Internationale ontwikkelingssamenwerking
Hoofdstuk tien I. Bijbelse aspecten II. De mens en het universum van de geschapen dingen III. De crisis in de relatie tussen de mens en het milieu IV. Een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid
Hoofdstuk elf I. Bijbelse aspecten II. Vrede: de vrucht van rechtvaardigheid en liefde III. Het falen van vrede: oorlog
IV. De bijdrage van de Kerk tot de vrede
Hoofdstuk twaalf I. Pastorale actie in de sociale sfeer
II. De sociale leer en het engagement van de lekengelovigen
Besluit
Index van citaten Thematisch register
LIJST MET BIJBELSE AFKORTINGEN
Staatssecretariaat Van het Vaticaan, 29 juni 2004
N. 559.332 Uwe Eminentie, Doorheen haar geschiedenis, en in het bijzonder gedurende de laatste honderd jaar, heeft de Kerk — om het met de woorden van paus Leo XIII uit te drukken — nooit opgehouden “haar eigen woord” te zeggen in verband met het maatschappelijke leven. In de voortzetting van de verheldering en de actualisering van het rijke patrimonium van de katholieke sociale leer, heeft paus Johannes Paulus II van zijn kant drie grote encyclieken gepubliceerd — Laborem excercens, Sollicitudo rei socialis en Centesimus annus — die fundamentele etappes zijn in het katholieke denken over deze materie. Van hun kant hebben talrijke bisschoppen in elk deel van de wereld recentelijk bijgedragen tot de uitdieping van de sociale leer van de Kerk. Talrijke specialisten op elk continent hebben hetzelfde gedaan. 1. Daarom was het wenselijk dat een compendium van al dit materiaal zou worden gecompileerd, dat systematisch de fundamenten van de katholieke sociale leer zou voorstellen. Het verdient lof dat de Pauselijke Raad voor Rechtvaardigheid en Vrede deze taak op zich heeft genomen en gedurende de laatste jaren heeft deze Raad intense inspanningen voor dit initiatief geleverd. Het verheugt mij dat het werk “Compendium van de sociale leer van de Kerk” is gepubliceerd en ik deel in uw vreugde om het aan de gelovigen en aan alle mensen van goede wil aan te bieden als voedsel voor de menselijke en geestelijke groei, voor individuen en gemeenschappen samen. 2. Dit werk toont ook de waarde van de sociale leer van de Kerk als een instrument voor de evangelisatie (vgl. Centesimus annus, 54), omdat het de menselijke persoon en de maatschappij in relatie plaatst met het licht van het Evangelie. De principes van de sociale leer van de Kerk, die gebaseerd zijn op de natuurwet, worden bovendien bevestigd en gesterkt in het geloof van de Kerk door het Evangelie van Christus. In dit licht wordt de mens vóór alles uitgenodigd om zichzelf te ontdekken als een transcendent wezen, in alle dimensies van zijn leven, inclusief deze verbonden met de sociale, economische en politieke contexten. Het geloof brengt de betekenis van het gezin tot volheid, dat, gevestigd op het huwelijk tussen een man en een vrouw, de eerste en levenskrachtige cel van de maatschappij is. Het werpt bovendien licht op de waardigheid van de arbeid die, als activiteit van de mens bestemd voor zijn zelfrealisatie, voorrang heeft op kapitaal, en het bevestigt de terechte eis van de mens om te delen in de vruchten van de arbeid. 3. Deze tekst laat ook het belang zien van de morele waarden, gegrond op de natuurwet die gegrift is in elk menselijk geweten, dat bijgevolg verplicht is om deze wet te erkennen en te respecteren. De mensheid zoekt vandaag naar een grotere rechtvaardigheid in de omgang met het wijdverbreide fenomeen van de globalisatie; zij toont een grote bezorgdheid voor de ecologie en een goed beheer van de publieke aangelegenheden; zij voelt de noodzaak om het nationaal bewustzijn te beschermen, zonder evenwel het zicht te verliezen op de weg van het recht en het bewustzijn van de eenheid van de mensenfamilie. De wereld van de arbeid, die grondig gewijzigd is door de vooruitgang van de moderne technologie, spreidt buitengewone kwaliteitsniveaus ten toon, maar moet helaas ook nieuwe vormen van instabiliteit, uitbuiting en zelfs slavernij registreren in de schoot zelf van de zogenaamd welvarende maatschappijen. In verschillende gebieden van de planeet blijft het welzijnsniveau toenemen, maar tegelijk is er ook een gevaarlijke toename van het aantal nieuwe armen, en omwille van verschillende redenen vergroot de kloof tussen minder ontwikkelde en rijke landen. De vrije markt, een economisch proces met positieve aspecten, vertoont niettemin haar beperkingen. Anderzijds vertegenwoordigt de preferentiële liefde voor de armen een fundamentele keuze voor de Kerk die zij aan alle mensen van goede wil voorstelt. Dit zijn de redenen waarom de Kerk niet kan ophouden om haar stem te laten horen over de “nieuwe dingen” (res novae) die typerend zijn voor de moderne tijd, omdat het haar toekomt om alle mensen uit te nodigen alles te doen wat mogelijk is om een authentieke beschaving te realiseren die gericht is op het zoeken naar een integrale menselijke ontwikkeling in solidariteit. 4. De hedendaagse culturele en sociale vraagstukken hebben vooral betrekking op de lekengelovigen, die, zoals het tweede Vaticaans concilie ons eraan herinnert, geroepen zijn om de tijdelijke aangelegenheden te behartigen en volgens de wil van God te regelen (vgl. Lumen gentium, 31). Men kan daarom gemakkelijk het fundamentele belang van de vorming van de leken begrijpen, opdat de heiligheid van hun leven en de kracht van hun getuigenis zou kunnen bijdragen tot de menselijke vooruitgang. Dit document is bedoeld om hen te helpen in hun dagelijkse zending. Bovendien is het interessant om op te merken hoezeer talrijke elementen die hier werden samengebracht, worden gedeeld door andere kerken en kerkelijke gemeenschappen, evenals door andere religies. De tekst is op zo een manier opgesteld dat hij niet alleen nuttig is van binnen uit (ab intra), dit wil zeggen onder katholieken, maar ook van buiten af (ab extra). In feite kunnen zowel zij die het doopsel met ons delen, evenals de aanhangers van andere religies en alle mensen van goede wil, hierin vruchtbare gelegenheden vinden voor reflectie en gemeenschappelijke aansporing voor de integrale ontwikkeling van elke persoon en van de ganse persoon. 5. In de hoop dat dit document de mensheid helpt in haar actieve zoektocht naar het algemeen welzijn, roept de Heilige Vader Gods zegen af over hen die de tijd zullen nemen om te reflecteren over de leer van deze publicatie. In het formuleren van mijn eigen persoonlijke wensen voor het succes van deze onderneming, feliciteer ik Uwe Eminentie en Uw medewerkers van de Pauselijke Raad voor Rechtvaardigheid en Vrede voor het belangrijke werk dat werd verricht, en met zeer toegewijde gevoelens in de Heer, verblijf ik,
Met de meeste hoogachting, Kardinaal Angelo Sodano Staatssecretaris
Het verheugt mij om het Compendium van de sociale leer van de Kerk voor te stellen, dat op vraag van paus Johannes Paulus II werd uitgewerkt om een compact maar compleet overzicht te geven van de sociale leer van de Kerk. Het omvormen van de sociale realiteiten door de kracht van het Evangelie, waarvan vrouwen en mannen getrouw aan Christus getuigenis afleggen, is altijd al een uitdaging geweest en dit blijft nog zo vandaag bij het begin van het derde millennium van de christelijke tijd. De verkondiging van Jezus Christus, van het “goede nieuws” van het heil, de liefde, de rechtvaardigheid en de vrede, vindt geen gemakkelijk gehoor in de hedendaagse wereld, verwoest als zij is door oorlogen, armoede en onrechtvaardigheid. Juist daarom hebben de mensen van onze tijd meer dan ooit behoefte aan het Evangelie: aan het geloof dat redt, aan de hoop die verlicht, aan de liefde die bemint. De Kerk is een expert in menselijkheid en in vertrouwen en actieve betrokkenheid vooruitlopend, blijft zij verder uitzien naar de “nieuwe hemelen” en de “nieuwe aarde” (2 Pe 3, 13), die zij aan elke mens aanwijst, om hem te helpen zijn leven te leiden in de dimensie van zijn authentieke betekenis. “Gloria Dei vivens homo”: de menselijke persoon die ten volle zijn of haar waardigheid beleeft, betuigt glorie aan God, die deze waardigheid aan de mensen heeft geschonken. De lectuur van deze bladzijden is bovenal bedoeld om de activiteit van de christenen in de sociale sector te ondersteunen en aan te moedigen, in het bijzonder van de lekengelovigen, aan wie dit domein op een specifieke manier eigen is; hun ganse leven moet worden gezien als een werk van evangelisatie dat vruchten voortbrengt. Elke gelovige moet eerst en vooral leren aan de Heer te gehoorzamen met de kracht van het geloof, naar het voorbeeld van de heilige Petrus: “‘Meester’, antwoordde Simon, ‘de hele nacht hebben we ons al afgetobd zonder iets te vangen. Maar als U het zegt zal ik de netten uitwerpen’” (Lc 5, 5). Elke lezer van “goede wil” zal de motieven die de Kerk ertoe aanzetten om met haar sociale leer tussen te komen in de sociale sfeer — een sfeer die op het eerste gezicht niet behoort tot de competentie van de Kerk — kunnen begrijpen, en dezelfde lezers zullen de redenen voor ontmoeting, dialoog en samenwerking ten dienste van het algemeen welzijn, kunnen ontwaren. Mijn voorganger, de betreurde en eerbiedwaardige kardinaal Franciscus-Xaverius Nguyên Van Thuân, leidde met wijsheid, standvastigheid en vooruitziendheid de complexe voorbereidende fase van dit document; zijn ziekte heeft hem verhinderd om dit werk te voltooien door zijn publicatie. Dit werk, dat aan mij werd toevertrouwd en dat nu aan de lezers wordt aangeboden, draagt daarom het zegel van een groot getuige van het kruis, die standvastig in het geloof bleef gedurende de donkere en verschrikkelijke jaren in Vietnam. Hij weze verzekerd van onze dankbaarheid voor al zijn nauwgezette arbeid, met liefde en toewijding gebracht, en hij zal hen zegenen die halt houden om over deze bladzijden te reflecteren. Ik roep de tussenkomst in van de heilige Jozef, beschermer van de Verlosser en echtgenoot van de heilige Maagd Maria, patroon van de universele Kerk en van de arbeid, opdat deze tekst overvloedig vrucht mag dragen in het sociale leven als een instrument voor de verkondiging van het Evangelie, voor rechtvaardigheid en vrede. Vaticaanstad, 2 april 2004, herdenking van de heilige Franciscus van Paola.
Kardinaal Renato Raffaele Martino
+ Giampaolo Crepaldi COMPENDIUM
INLEIDING EEN INTEGRAAL EN SOLIDAIR HUMANISME a) Bij het aanbreken van het derde millennium 1 De Kerk schrijdt verder het derde millennium van de christelijke tijd binnen als een pelgrimerend volk geleid door Christus, de “grote herder” (Heb 13, 20). Hij is de “heilige deur” (vgl. Joh 10, 9) waar we door zijn gegaan tijdens het grote jubileum van het jaar 2000[1]. Jezus Christus is de weg, de waarheid en het leven (vgl. Joh 14, 6): in het beschouwen van het aangezicht van de Heer bevestigen wij ons geloof en onze hoop in Hem, de enige redder en de vervulling van de geschiedenis. De Kerk blijft verder spreken tot alle volken en naties omdat alleen door de naam van Christus de mens tot het heil komt. Het heil, dat door de Heer Jezus voor ons werd gekocht “tegen een prijs” (1 Kor 6, 20; vgl. 1 Pe 1, 18-19), wordt gerealiseerd in het nieuwe leven dat de rechtvaardige wacht na de dood, maar doordringt ook deze wereld in de sferen van de economie en de arbeid, van de technologie en de communicatie, van de maatschappij en de politiek, van de internationale gemeenschap en de relaties tussen culturen en volken. “Jezus is gekomen om het integrale heil te brengen dat heel de mens en alle mensen omvat, en om hen open te stellen voor de wonderbare horizonten van het kindschap Gods”[2]. 2 Bij dit aanbreken van het derde millennium houdt de Kerk niet op de blijde boodschap te verkondigen die ook in tijdelijke realiteiten heil en waarachtige vrijheid brengt. Ze is de plechtige aansporing van de heilige Paulus aan zijn leerling Timoteüs indachtig: “Verkondig het woord, dring te pas en te onpas aan, weerleg, berisp, bemoedig, met al het geduld dat het onderricht vereist. Want er komt een tijd dat men de gezonde leer niet meer zal verdragen, maar naar zijn eigen smaak leraren om zich heen zal verzamelen die de oren strelen. En ze zullen hun oren sluiten voor de waarheid, om te luisteren naar allerlei mythen. Maar u, blijf nuchter bij dit alles, aanvaard het lijden, doe het werk van een evangelist, vervul trouw uw dienst” (2 Tim 4, 2-5). 3 Aan alle mannen en vrouwen van onze tijd, haar reisgezellen, biedt de Kerk ook haar sociale leer aan. Inderdaad, wanneer de Kerk “haar zending vervult om het Evangelie te verkondigen, getuigt zij, in Christus’ naam, tegenover de mens van zijn eigen waardigheid en van zijn geroepen-zijn tot een gemeenschap van personen; ze houdt hem de eisen voor van rechtvaardigheid en vrede, die overeenstemmen met de goddelijke wijsheid”[3]. Deze leer heeft een diepe eenheid, die ontspringt aan het geloof in een allesomvattend en volledig heil, aan de hoop op een volledige rechtvaardigheid en aan de liefde die alle mensen maakt tot echte broeders en zusters in Christus: zij is de uitdrukking van Gods liefde voor de wereld, die Hij zozeer heeft liefgehad “dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft geschonken” (Joh 3, 16). De nieuwe wet van de liefde omhelst de ganse mensheid en kent geen grenzen, omdat de verkondiging van het heil in Christus zich uitstrekt “tot het uiteinde van de aarde” (Hnd 1, 8). 4 In de ontdekking dat hij door God wordt bemind, begint de mens zijn eigen transcendente waardigheid te begrijpen; hij leert om niet tevreden te zijn met zichzelf en om zijn naaste te ontmoeten in een netwerk van relaties dat alsmaar meer authentiek menselijk wordt. Mensen die door Gods liefde “nieuw” werden gemaakt, zijn in staat om de regels en de kwaliteit van de relaties te veranderen, ja zelfs om sociale structuren te wijzigen. Zij zijn mensen die vrede kunnen brengen waar conflict heerst, die broederlijke relaties kunnen opbouwen en voeden waar haat woekert, die gerechtigheid zoeken waar de uitbuiting van mensen door mensen overheerst. Alleen de liefde is in staat om de onderlinge menselijke relaties radicaal om te vormen. Vanuit dit perspectief kan elke mens van goede wil de wijde horizonten van de rechtvaardigheid en de menselijke ontwikkeling in waarheid en goedheid ontwaren. 5 De liefde staat voor een grote opdracht en de Kerk verlangt vurig om haar bijdrage te leveren met haar sociale leer, die de ganse persoon omvat en die gericht is aan alle mensen. Zoveel behoeftige broeders en zusters wachten op hulp, zoveel onderdrukten wachten op gerechtigheid, zoveel werklozen wachten op werk, zoveel mensen hunkeren naar respect. “Hoe is het mogelijk dat er in onze tijd nog mensen van honger sterven, tot analfabetisme veroordeeld zijn, de meest elementaire geneeskundige zorgen ontberen of geen huis hebben dat hen beschut? Het beeld van de armoede wordt nog eindeloos groter wanneer wij de nieuwe vormen van armoede bij de oudere plaatsen. Deze nieuwe vormen treft men vaak aan in sectoren en bij mensen die niet van economische mogelijkheden verstoken zijn, maar die wanhopig zijn om de zinloosheid van het bestaan, die verstrikt zijn in drugs, eenzaam door hoge leeftijd of door ziekte, gemarginaliseerd en sociaal gediscrimineerd (…) Hoe kunnen wij overigens de ogen sluiten voor het perspectief van een ecologische ramp waardoor grote gebieden van de planeet onbewoonbaar en vijandig voor de mens zouden worden? Hoe onverschillig blijven voor de problemen van de vrede die zo vaak bedreigd wordt, voor het spookbeeld van catastrofale oorlogen? Hoe niet aandachtig zijn voor het misprijzen van de fundamentele mensenrechten van zovele personen, vooral van kinderen?”[4]. 6 De christelijke liefde zet aan tot het aanklagen van onrecht, tot het voorstellen van en het zich engageren in sociale en culturele projecten; tot een effectieve actie die al wie eerlijk het welzijn van de mens ter harte neemt, aanspoort om hun bijdrage te leveren. De mensheid begrijpt steeds beter dat zij verbonden is door één en dezelfde bestemming, die een gemeenschappelijke opname van verantwoordelijkheid vereist, een verantwoordelijkheid geïnspireerd door een integraal en solidair humanisme. De mensheid ziet dat deze wederzijdse bestemming dikwijls geconditioneerd en zelfs opgelegd wordt door technologische en economische factoren. Bijgevolg voelt zij de behoefte aan een groter zedelijk bewustzijn dat richting geeft aan de gemeenschappelijke tocht. Verwonderd door de talrijke nieuwe verwezenlijkingen van de technologie, verlangen de mensen van onze tijd vurig dat de vooruitgang wordt gericht op het ware welzijn van de mensheid vandaag en morgen. b) De betekenis van dit document 7 De christen weet dat hij in de sociale leer van de Kerk de principes voor reflectie, de oordeelscriteria en de richtlijnen voor actie, die het vertrekpunt zijn van de bevordering van een integraal en solidair humanisme, kan vinden. De verbreiding van deze leer is daarom een echte pastorale prioriteit, opdat de mens erdoor wordt verlicht en aldus in staat wordt gesteld om de hedendaagse realiteit te interpreteren en te zoeken naar gepaste wegen voor actie: “Het onderricht en de verspreiding van de sociale leer maken deel uit van de zending van de Kerk om te evangeliseren”[5]. In het licht hiervan werd de publicatie van een document, dat de fundamentele elementen van de sociale leer van de Kerk verschaft en dat de relatie tussen de nieuwe evangelisatie en deze leer aantoont[6], zeer nuttig geacht. De Pauselijke Raad voor Rechtvaardigheid en Vrede, die dit document heeft opgesteld en die de volledige verantwoordelijkheid voor de inhoud draagt, heeft dit document voorbereid op basis van een brede consultatie van zijn leden en raadgevers, van verschillende dicasterieën van de Romeinse Curie, van de bisschoppenconferenties van verschillende landen, van individuele bisschoppen en van deskundigen in de behandelde vraagstukken. 8 Dit document beoogt de systematische en volledige voorstelling — weliswaar in de vorm van een overzicht — van de sociale leer van de Kerk, die de vrucht is van een zorgvuldige magisteriële reflectie en de uitdrukking van de ononderbroken zorg van de Kerk, in trouwheid aan de genade van het door Christus bedongen heil en uit liefdevolle zorg voor het lot van de mens. Hierin worden de meest relevante theologische, filosofische, morele, culturele en pastorale aspecten van deze leer systematisch voorgesteld voor zover zij slaan op sociale vraagstukken. Op die manier wordt getuigenis gegeven van de vruchtbaarheid van de ontmoeting tussen het Evangelie en de problemen waarmee de mens te kampen krijgt tijdens zijn tocht doorheen de geschiedenis. Bij het bestuderen van dit compendium is het goed voor ogen te houden dat de geciteerde teksten van het magisterium genomen werden uit documenten met een verschillende autoriteit. Behalve conciliedocumenten en encyclieken werd er ook gebruik gemaakt van pauselijke toespraken en documenten opgesteld door Dicasterieën van de Heilige Stoel. Zoals men weet, maar het is goed het te onderstrepen, moet de lezer er zich van bewust zijn dat verschillende niveaus van leergezag in het geding zijn. Het document beperkt er zich toe om enkel de fundamentele elementen van de sociale leer van de Kerk te verschaffen en laat aan de bisschoppenconferenties de taak over om geschikte toepassingen te maken naargelang de verschillende lokale situaties dit vereisen[7]. 9 Dit document biedt een volledig overzicht van de fundamentele principes van het leerstellige corpus van de katholieke sociale leer. Dit overzicht stelt ons in staat om op een geschikte manier de sociale problemen van onze tijd aan te pakken. Deze problemen moeten vanuit een totaalvisie worden bekeken, omdat zij worden gekarakteriseerd door een steeds toenemende onderlinge vervlechting en wederzijdse beïnvloeding en omdat zij steeds meer betrekking hebben op de ganse mensenfamilie. De uiteenzetting van de sociale leer van de Kerk wil een organische benadering suggereren in het zoeken naar oplossingen voor de problemen, zodat het onderscheid, het oordeel en de beslissingen overeenstemmen met de realiteit en opdat solidariteit en hoop een afdoende impact zouden kunnen krijgen op de complexiteit van de huidige situaties. In feite verwijzen deze principes naar elkaar en zij verlichten elkaar wederzijds voor zover zij de uitdrukking zijn van de christelijke antropologie[8], vrucht van de openbaring van Gods liefde voor de menselijke persoon. Men mag nochtans niet vergeten dat de voortgang van de tijd en de verandering van de sociale omstandigheden een voortdurende actualisering zullen vergen van de verschillende onderwerpen die hier worden behandeld, om de nieuwe tekenen des tijds te interpreteren. 10 Het document biedt zich aan als een instrument voor de morele en de pastorale onderscheiding van de complexe gebeurtenissen die onze tijd kenmerken; als een gids ter inspiratie, op het individuele en het collectieve niveau, van houdingen en keuzes die alle mensen zullen toelaten om de toekomst met een groter vertrouwen en een grotere hoop tegemoet te zien; als een hulp voor de gelovigen in verband met het onderricht in de sociale moraal van de Kerk. Hieruit kan een nieuw engagement ontstaan dat in staat is om te beantwoorden aan de eisen van onze tijd in functie van de noden en hulpbronnen van de mens. Maar bovenal kan hieruit een vurig verlangen ontstaan om de roeping te herontdekken die eigen is aan de verschillende kerkelijke charismata gericht op de evangelisatie van de sociale orde, omdat “alle leden van de Kerk deelhebben aan haar seculiere dimensie”[9]. Deze tekst is tenslotte bedoeld als een stimulans voor de dialoog met allen die oprecht het welzijn van de mens verlangen. 11 Dit document is eerst en vooral bedoeld voor de bisschoppen, die de meest geschikte methoden zullen vinden om het kenbaar te maken en juist te interpreteren. Het maakt immers deel uit van de “munus docendi” van de bisschoppen om te leren dat “de aardse werkelijkheden en de menselijke instellingen op het heil van de mensen betrokken zijn, zodat deze niet onbelangrijk kunnen bijdragen tot de opbouw van het Lichaam van Christus”[10]. Priesters, mannelijke en vrouwelijke religieuzen en in het algemeen zij die verantwoordelijk zijn voor de vorming, zullen hierin een gids vinden voor hun onderricht en voor hun pastorale dienst. De lekengelovigen, die het Godsrijk zoeken “door de tijdelijke aangelegenheden te behartigen en volgens de wil van God te regelen”[11], zullen er verlichting in vinden voor hun eigen specifieke missie. Christelijke gemeenschappen zullen in dit document hulp vinden om situaties objectief te analyseren en te verhelderen in het licht van de onveranderlijke woorden van het Evangelie en om principes voor reflectie, oordeelscriteria en richtlijnen voor actie op te stellen[12]. 12 Dit document is eveneens gericht aan de broeders van andere kerken en kerkelijke gemeenschappen, aan de volgelingen van andere religies evenals aan alle mensen van goede wil die zich inspannen om het algemeen welzijn te dienen: mogen zij het ontvangen als de vrucht van een universele menselijke ervaring gemarkeerd door talloze tekenen van de aanwezigheid van Gods Geest. Het is een schat uit oud en nieuw (vgl. Mt 13, 52) die de Kerk wenst te delen in dankbetuiging aan God van wie “elke goede gave, elk volmaakt geschenk” komt (Jak 1, 17). Het is een teken van hoop dat religies en culturen heden openheid voor dialoog vertonen en de dringende nood voelen om de krachten te bundelen om de rechtvaardigheid, de broederlijkheid, de vrede en de groei van de menselijke persoon te bevorderen. De katholieke kerk verbindt in het bijzonder haar eigen engagement met het sociale engagement van andere kerken en kerkelijke gemeenschappen, zowel op het vlak van de leerstellige reflectie als op het praktische vlak. Samen met hen is de katholieke kerk ervan overtuigd dat uit het gemeenschappelijke erfgoed van de sociale leer, dat bewaard wordt door de levende traditie van het Godsvolk, stimulansen en wegwijzers zullen voortspruiten voor een steeds nauwere samenwerking in de bevordering van de rechtvaardigheid en de vrede[13]. c) Ten dienste van de volledige waarheid omtrent de mens 13 Dit document is een daad van dienstbaarheid vanwege de Kerk aan de mannen en de vrouwen van onze tijd, aan wie zij het patrimonium van haar sociale leer aanbiedt, op de wijze van de dialoog waarmee God zelf via zijn eniggeboren Zoon die mens geworden is “de mensen aanspreekt als zijn vrienden (vgl. Ex 33, 11; Joh 15, 14-15) en met hen omgaat (vgl. Bar. 3, 38)”[14]. Geïnspireerd door de pastorale constitutie Gaudium et spes laat ook dit document “de mens als één totaliteit, met lichaam en ziel, met hart en geweten”[15] de spil vormen van de ganse uiteenzetting. In dit perspectief is de Kerk “geenszins geleid door wereldlijke ambities, maar heeft zij slechts één doel voor ogen: onder leiding van de Trooster, de Geest, het werk van Christus zelf voort te zetten, die in de wereld kwam om getuige te zijn voor de waarheid, om te redden en niet om te oordelen, om te dienen en niet om zich te laten dienen”[16]. 14 Met behulp van dit document wil de Kerk een bijdrage van waarheid leveren tot de vraag naar de plaats van de mens in de natuur en in de samenleving, een vraag die gesteld wordt in beschavingen en culturen waarin de menselijke wijsheid zich uitdrukt. Deze beschavingen en culturen zijn geworteld in een verleden dat dikwijls duizenden jaren oud is en manifesteren zichzelf in vormen van religie, filosofie en poëtisch genie van alle tijden en van alle volken. Zij verschaffen hun eigen interpretatie van het universum en van de menselijke convivialiteit en zoeken een verklaring voor het bestaan en voor het mysterie dat hen omringt. Wie ben ik? Waarom is er lijden, kwaad, dood, ondanks alle vooruitgang die werd geboekt? Wat is de waarde van zovele verworvenheden waarvoor een te hoge prijs moet worden betaald? Wat volgt er na dit leven? Dit zijn de fundamentele vragen die de menselijke levensloop kenschetsen[17]. In deze optiek kunnen we de waarschuwing “Ken uzelf”, gekerfd in de architraaf van de tempel van Delphi, in herinnering brengen, die getuigt van de fundamentele waarheid dat de mens, geroepen om een aparte plaats in te nemen ten opzichte van de rest van de geschapen wezens, slechts mens is precies omdat hij in zijn wezen gericht is op het kennen van zichzelf. 15 De richting die het menselijke bestaan, de maatschappij en de geschiedenis zullen inslaan, hangt grotendeels af van de antwoorden die worden gegeven op de vragen over de plaats van de mens in de natuur en de maatschappij. Het huidige document heeft als doel een bijdrage te leveren tot deze antwoorden. De diepste betekenis van het menselijke bestaan openbaart zich in feite in de vrije zoektocht naar de waarheid die in staat is om richting en volheid aan het leven te geven, een zoektocht waarbij de boven genoemde vragen ononderbroken beroep doen op de menselijke intelligentie en de menselijke wil. Deze vragen zijn de hoogste uitdrukkingen van de menselijke natuur omdat zij van de mens een antwoord vereisen dat de diepten peilt van zijn betrokkenheid op zijn eigen bestaan. Bovendien hebben we hier te maken met vragen die fundamenteel godsdienstig zijn: “Wanneer het ‘waarom van de dingen’ integraal wordt onderzocht en wanneer de vraag naar het ultieme en exhaustieve antwoord wordt gesteld, bereikt de menselijke rede haar hoogtepunt en opent zij zich voor het godsdienstige (…) het godsdienstige vertegenwoordigt de meest verheven uitdrukking van de menselijke persoon aangezien het de culminatie is van zijn redelijke natuur. Het ontspruit aan de diepe aspiratie van de mens naar waarheid en het ligt aan de basis van de vrije en persoonlijke zoektocht van de mens naar het goddelijke”[18]. 16 De fundamentele vragen die de tocht van de mensheid van bij het prilste begin begeleiden, krijgen vandaag een steeds groter gewicht omwille van de enorme omvang van de uitdagingen, de nieuwheid van de situaties en het belang van de beslissende keuzes waarvoor de huidige generaties worden geplaatst. De eerste van de grote uitdagingen waarmee de mensheid heden wordt geconfronteerd, gaat over de waarheid zelf van het wezen dat de mens is. De grens en de relatie tussen de natuur, de technologie en de moraal zijn aangelegenheden die een klemmend beroep doen op de persoonlijke en collectieve verantwoordelijkheid in verband met de houdingen die moeten worden aangenomen in verband met de definitie van de menselijke wezens, tot wat zij in staat zijn en wat zij zouden moeten zijn. Een tweede uitdaging wordt gevonden in het begrijpen van en omgaan met pluralisme en verschillen op alle niveaus: in manieren van denken, morele keuzes, cultuur, godsdienstig lidmaatschap en filosofie van de menselijke en sociale ontwikkeling. De derde uitdaging is de globalisatie, waarvan de betekenis veel breder en diepgaander is dan de gewone economische globalisatie, omdat de geschiedenis immers blijk heeft gegeven van de aanvang van een nieuwe tijd die de bestemming van de mens aanbelangt. 17 De leerlingen van Jezus voelen zich aangesproken door deze vragen. Ook zij dragen ze mee in hun hart en wensen zich samen met alle andere mensen in te laten met de zoektocht naar de waarheid en de betekenis van het persoonlijke en sociale leven. Zij dragen tot deze zoektocht bij door hun edelmoedig getuigenis van het geschenk dat de mensheid heeft ontvangen: God heeft doorheen de geschiedenis zijn Woord gesproken tot de mensen en Hij is zelfs de geschiedenis binnengetreden om in dialoog te treden met de mensheid en om aan de mensen zijn plan voor heil, rechtvaardigheid en broederlijkheid te openbaren. In Jezus Christus, zijn mensgeworden Zoon, heeft God ons bevrijd van de zonde en heeft Hij ons de weg getoond die wij moeten bewandelen evenals het doel dat wij moeten nastreven. d) In het teken van solidariteit, respect en liefde 18 De Kerk bewandelt met alle mensen de wegen van de geschiedenis. Ze leeft in deze wereld en hoewel ze niet van deze wereld is (vgl. Joh. 17, 14-16), is ze, krachtens haar diepste roeping, geroepen om de wereld te dienen. Deze opvatting, die ook teruggevonden wordt in dit document, is gestoeld op de diepe overtuiging dat, net zoals het belangrijk is voor de wereld om de Kerk als een realiteit en een zuurdeeg in de geschiedenis te herkennen, het ook voor de Kerk belangrijk is niet onkundig te zijn van wat zij van de geschiedenis en van het menselijke ras heeft ontvangen[19]. Het tweede Vaticaans concilie heeft een welbespraakt teken willen geven van solidariteit, respect en affectie voor de gehele mensenfamilie door met haar een dialoog aan te gaan over uiteenlopende problemen, “onder het licht, dat het Evangelie daartoe biedt, en door aan de mensheid de heilskracht ter beschikking te stellen, welke de Kerk zelf onder leiding van de heilige Geest van haar Stichter ontvangt. Het gaat er immers om de menselijke persoon te redden en de menselijke gemeenschap uit te bouwen”[20]. 19 De Kerk, het teken in de geschiedenis van Gods liefde voor de mensheid en van de roeping van het ganse menselijke ras tot eenheid als kinderen van dezelfde Vader[21], wil met dit document over haar sociale leer aan alle mensen een humanisme voorstellen dat beantwoordt aan de standaarden van Gods liefdesplan in de geschiedenis, een integraal en solidair humanisme dat in staat is om een nieuwe sociale, economische en politieke orde te scheppen die gebaseerd is op de waardigheid en de vrijheid van elke menselijke persoon en die in vrede, rechtvaardigheid en solidariteit moet worden gerealiseerd. Dit humanisme kan worden gerealiseerd indien individuele mannen en vrouwen en hun gemeenschappen, in staat zijn om morele en sociale deugden bij zichzelf te cultiveren en in de maatschappij te verspreiden. “Dan zal er werkelijk een nieuwe generatie mensen en bouwers van een nieuwe mensheid opstaan met de noodzakelijke hulp van de goddelijke genade”[22].
[1]Vgl. Johannes Paulus II, Apostolische brief
Novo millennio ineunte, 1: AAS 93 (2001), 266.
[2]Johannes Paulus II, Encycliek
Redemptoris missio, 11: AAS 83 (1991), 260.
[3]Katechismus van de katholieke Kerk, 2419.
[4]Johannes Paulus II, Apostolische brief
Novo millennio ineunte, 50-51: AAS 93 (2001), 303-304.
[5]Johannes Paulus II, Encycliek
Sollicitudo rei socialis, 41: AAS 80 (1988), 571-572.
[6]Vgl. Johannes Paulus II, Postsynodale apostolische exhortatie
Ecclesia in America, 54: AAS 91 (1999), 790.
[7]Vgl. Johannes Paulus II, Postsynodale apostolische exhortatie
Ecclesia in America, 54: AAS 91 (1999), 790; Katechismus van de katholieke Kerk, 24.
[8]Vgl. Johannes Paulus II, Encycliek
Centesimus annus, 55: AAS 83 (1991), 860.
[9]Johannes Paulus II, Postsynodale apostolische exhortatie
Christifideles laici, 15: AAS 81 (1989), 414.
[10]Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Decreet
Christus dominus, 12: AAS 58 (1966), 678.
[11]Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Dogmatische constitutie
Lumen gentium, 31: AAS 57 (1965), 37.
[12]Vgl. Paulus VI, Apostolische brief
Octogesima adveniens, 4: AAS 63 (1971), 403.
[13]Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Pastorale constitutie
Gaudium et spes, 92: AAS 58 (1966), 1113-1114.
[14]Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Dogmatische constitutie
Dei verbum, 2: AAS 58 (1966), 818.
[15]Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Pastorale constitutie
Gaudium et spes, 3: AAS 58 (1966), 1026.
[16]Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Pastorale constitutie
Gaudium et spes, 3: AAS 58 (1966), 1027.
[17]Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Pastorale constitutie
Gaudium et spes, 10: AAS 58 (1966), 1032.
[18]Johannes Paulus II, Toespraak voor de Algemene Audiëntie (19 oktober 1983), 2:
L’Osservatore Romano, Engelse editie, 24 oktober 1983, p. 9.
[19]Vgl. Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Pastorale constitutie
Gaudium et spes, 44: AAS 58 (1966), 1064.
[20]Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Pastorale constitutie
Gaudium et spes, 3: AAS 58 (1966), 1026.
[21]Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Dogmatische constitutie
Lumen gentium, 1: AAS 57 (1966), 5.
[22]Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Pastorale constitutie
Gaudium et spes, 30: AAS 58 (1966), 1050.
“De theologische dimensie blijkt nodig om de (Centesimus annus, 55)
HOOFDSTUK EEN GODS LIEFDESPLAN VOOR DE MENSHEID I. GODS BEVRIJDENDE OPTREDEN IN DE GESCHIEDENIS VAN ISRAËL a) Gods gratuite nabijheid 20 Elke authentieke religieuze ervaring in alle culturele tradities, leidt tot een intuïtie van het Mysterie die niet zelden in staat is om enkele aspecten van Gods gelaat te herkennen. Enerzijds wordt God gezien als de oorsprong van al wat bestaat, als de nabijheid die aan de mensen, georganiseerd in een maatschappij, de basiscondities van het bestaan garandeert en die hen de noodzakelijke goederen ter beschikking stelt. Anderzijds verschijnt Hij als de maatstaf van wat zou moeten zijn, als de nabijheid die het menselijke handelen uitdaagt — zowel op het individuele als op het sociale niveau — in verband met het gebruik van diezelfde goederen in de relatie tot andere mensen. In elke religieuze ervaring wordt daarom belang gehecht zowel aan de dimensie van gave en onbaatzuchtigheid, wat wordt aangezien als het onderliggende element van de ervaring die de menselijke wezens hebben van hun bestaan dat zij delen met anderen in de wereld, als aan de repercussies van deze dimensie op het menselijke geweten, dat zich geroepen voelt om verantwoordelijk en conviviaal de ontvangen gave te beheren. Het getuigenis van dit alles vindt men terug in de universele erkenning van de gulden regel, die op het niveau van de menselijke relaties de uitdrukking is van de aansporing die door het Mysterie aan de mensen werd gegeven: “Behandel de mensen in alles zoals je wilt dat ze jullie behandelen” (Mt 7, 12)[1]. 21 Tegen de achtergrond van de universele religieuze ervaring, waarin de mensheid op verschillende wijzen deelt, tekent Gods progressieve openbaring van zichzelf aan het volk van Israël zich af. Dankzij de onverwachte en indringende historische manier waarop Gods liefde voor de mens concreet wordt gemaakt, beantwoordt deze openbaring op een verrassende en onverwachte manier aan de menselijke zoektocht naar het goddelijke. Volgens het Boek Exodus richt de Heer het volgende woord tot Mozes: “Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien, de jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord; Ik ken hun lijden. Ik ben afgedaald om hen te bevrijden uit de macht van Egypte, om hen weg te leiden uit dit land, naar een land dat goed en ruim is, een land dat overvloeit van melk en honing” (Ex 3, 7-8). De gratuite nabijheid van God — waar zijn naam precies naar verwijst, de naam die Hij openbaart aan Mozes, “Ik ben die is” (Ex 3, 14) — manifesteert zich in de bevrijding uit de slavernij en in de belofte. Deze worden geconcretiseerd in historische actie door het verwerven van vrijheid en het land dat de Heer aan hen geeft, en hiermee identificeert het Godsvolk zich collectief. 22 De gratuïteit van het historisch doeltreffend goddelijk optreden gaat voortdurend samen met het engagement voor het door God voorgestelde verbond dat Israël heeft aanvaard. Op de berg Sinaï wordt Gods initiatief concreet in het verbond met zijn volk aan wie Hij de decaloog of de door God geopenbaarde Tien Woorden geeft (vgl. Ex 19-24). De “Tien Woorden” (Ex 34, 28; vgl. Dt 4, 13; 10, 4) “laten ons zien wat het inhoudt aan God toe te behoren in een relatie zoals die door het verbond geschapen werd. Het morele leven is een antwoord op het liefdevol initiatief van God. Het betekent erkentelijkheid, hulde en dankzegging aan God. Het morele leven betekent ook medewerking aan de plannen die God in de geschiedenis wil verwezenlijken”[2]. De Tien Geboden vormen een buitengewone levensweg en geven de meest zekere weg aan om een leven te leiden bevrijd van slavernij van de zonde. De Tien Geboden bevatten een bevoorrechte uitdrukking van de natuurwet. Zij leren ons “waarin de ware humaniteit van de mens bestaat. Zij stellen de essentiële plichten in het licht en indirect ook de fundamentele rechten die onlosmakelijk met de natuur van de menselijke persoon verbonden zijn”[3]. Zij beschrijven de universele menselijke moraliteit. In het evangelie herinnert Jezus de rijke jongeling eraan dat de Tien Geboden (vgl. Mt 19, 18) “de voornaamste regels voor iedere vorm van sociaal leven”[4] uitmaken. 23 De decaloog houdt een engagement in dat niet alleen trouw aan de enige ware God veronderstelt maar dat ook betrekking heeft op de sociale relaties binnen het Volk van het Verbond. Deze relaties worden in het bijzonder geleid door wat het recht van de arme wordt genoemd: “Is één van uw broeders tot armoede vervallen, dan moet u niet hard zijn voor uw arme broeder en uw beurs niet voor hem dichthouden. U moet die integendeel wijd openen en hem alles lenen wat hij tekort komt” (Dt. 15, 7-8). Dit alles is ook van toepassing op vreemdelingen: “Wanneer er vreemdelingen in uw land wonen, mag u die niet slecht behandelen. Vreemdelingen die bij u wonen hebben dezelfde rechten als een geboren Israëliet. U moet hem beminnen als uzelf, want u bent zelf vreemdeling geweest in Egypte. Ik ben de Heer uw God” (Lv 19, 33-34). De gave van vrijheid en van het beloofde land evenals de gave van het verbond op de Sinaï en de Tien Geboden zijn bijgevolg onlosmakelijk verweven met de praktijken die de ontwikkeling van de Israëlitische maatschappij in rechtvaardigheid en solidariteit moeten regelen. 24 Te midden van de vele normen die concreet gestalte willen geven aan de gratuïteit en het delen in de door God geïnspireerde rechtvaardigheid, manifesteren de wet van het sabbatjaar (om de zeven jaar gevierd) en de wet van het jubileumjaar (om de vijftig jaar gevierd)[5]zich als belangrijke richtlijnen — die jammer genoeg in de geschiedenis nooit ten volle werden gerealiseerd — voor het sociale en economische leven van het volk van Israël. Bovenop de eis om de velden braak te laten liggen, voorzagen deze wetten in de kwijtschelding van alle schulden en in een algemene vrijlating van personen en vrijgave van goederen: iedereen was vrij om naar zijn familie terug te keren en om zijn patrimonium opnieuw in bezit te nemen. Deze wetgeving wil verzekeren dat de heilbrengende gebeurtenis van de exodus en de trouw aan het verbond niet alleen het funderende principe van Israëls sociale, politieke en economische leven zouden uitmaken, maar dat zij ook het regulerende principe zouden vormen van de omgang met vragen betreffende economische armoede en sociale onrechtvaardigheden. Dit principe is ingeroepen om het leven van het volk van het verbond doorlopend en van binnen uit te veranderen, zodat dit leven overeenstemt met Gods plan. Om de discriminatie en de economische ongelijkheden veroorzaakt door sociaal-economische veranderingen te elimineren, werd om de zeven jaar de herinnering aan de Exodus en aan het verbond omgezet in sociale en juridische termen, met als doel de kwesties van eigendom, schulden, lonen en goederen tot hun diepste betekenis terug te voeren. 25 De voorschriften van de sabbatjaren en van de jubileumjaren vormen een soort van sociale leer in miniatuur[6]. Zij tonen hoe de principes van rechtvaardigheid en sociale solidariteit zijn ingegeven door de gratuïteit van de heilbrengende gebeurtenis die door God werd bewerkstelligd. Ook tonen deze voorschriften aan dat zij niet alleen een corrigerende waarde hebben voor door zelfzuchtige belangen en motieven ingegeven praktijken, maar dat zij veeleer, als een “profetie voor de toekomst”, de normatieve referentiepunten moeten worden waaraan elke generatie in Israël zich dient te conformeren indien zij trouw aan de Heer wenst te blijven. Deze principes worden de focus van de profetische verkondiging die tracht hen te interioriseren. Gods Geest die in de harten van de mens is uitgestort — zo verkondigen de profeten — zal dezelfde gevoelens van rechtvaardigheid en barmhartigheid, die aanwezig zijn in het hart van de Heer, in uw binnenste uitstorten (vgl. Jr 31, 33; Ez 36, 26-27). Dan zal Gods wil, uitgedrukt in de decaloog gegeven op de Sinaï, op een creatieve manier in het binnenste van de mens kunnen worden gegrift. Dit proces van verinnerlijking veroorzaakt meer diepgang en realiteitszin in de sociale actie waardoor de progressieve universalisering van een houding van rechtvaardigheid en solidariteit mogelijk wordt gemaakt. Het Volk van het verbond wordt opgeroepen om deze houding aan te nemen tegenover alle mensen uit alle volken en naties. b) Het principe van de schepping en Gods gratuite optreden 26 De reflectie van de profeten en de reflectie die men kan terugvinden in de wijsheidsliteratuur, leidt tot de eerste onthulling en tot de bron zelf van Gods plan voor de ganse mensheid, op het moment dat zij erin slaagt het principe te formuleren van de schepping van alle dingen door God.. In Israëls geloofsbelijdenis is de bevestiging dat God Schepper is niet zozeer de uitdrukking van een theoretische overtuiging; dit staat ook gelijk met het vatten van de oorspronkelijke draagwijdte van Gods gratuit en barmhartig optreden voor de mens. God schenkt in feite in vrijheid het zijn en het leven aan al wat bestaat. Man en vrouw, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis (vgl. Gn 1, 26-27), zijn bijgevolg geroepen om het zichtbare teken en werkzaam instrument te zijn van de goddelijke gratuïteit in de tuin waar God hen heeft geplaatst om de goederen van de schepping te cultiveren en te behoeden. 27 Het is in het vrije optreden van God, de Schepper, dat we de eigenlijke betekenis van de schepping vatten, zelfs indien zij vervormd is geworden door de ervaring van de zonde. Het verhaal van de eerste zonde (vgl. Gn 3, 1-24) beschrijft in feite de voortdurende bekoring en de verstoorde situatie waarin de mensheid zich bevindt na de val van haar eerste voorouders. Ongehoorzaamheid aan God betekent dat men zich onttrekt aan zijn liefdevolle blik en dat men tracht het leven en het optreden in de wereld naar eigen goeddunken in te richten. Het verbreken van de communio-relatie met God veroorzaakt een breuk in de innerlijke eenheid van de menselijke persoon, in de gemeenschapsrelatie tussen man en vrouw en in de harmonieuze relaties tussen de mensen en de andere schepselen[7]. Het is in deze oorspronkelijke vervreemding dat de diepste wortel van alle kwaad dat de sociale relaties tussen de mensen teistert, van alle situaties in het economische en politieke leven die de waardigheid van de menselijke persoon bedreigen en die rechtvaardigheid en solidariteit aanranden, moeten worden gezocht. II. JEZUS CHRISTUS a) In Jezus Christus is de beslissende gebeurtenis in de geschiedenis van God met de mensheid vervuld 28 De welwillendheid en de barmhartigheid die Gods handelen inspireren en die de sleutel vormen om dit handelen te begrijpen, komen de mens zozeer nabij dat zij de trekken van de mens Jezus, het vleesgeworden Woord, aannemen. In het evangelie volgens Lucas beschrijft Jezus zijn Messiaanse dienst met behulp van de woorden van Jesaja die de profetische betekenis van het jubileum in herinnering brengen: “De geest van de Heer rust op mij; daartoe heeft Hij mij gezalfd. Om aan de armen de goede boodschap te brengen heeft Hij mij gezonden, om aan gevangenen hun vrijlating aan te kondigen en aan blinden het licht in hun ogen, om verdrukten in vrijheid te laten gaan, en een jaar aan te kondigen dat de Heer welgevallig is” (Lc 4, 18-19; vgl. Js 61, 1-2). Jezus plaatst zich derhalve in de lijn van de vervulling, niet alleen omdat hij vervult wat beloofd was en door Israël werd verwacht, maar eveneens vanuit de diepere betekenis, namelijk dat in hem de beslissende gebeurtenis in de geschiedenis van God met de mensheid is voltrokken. Hij verkondigt: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” (Joh 14, 9). Met andere woorden, Jezus manifesteert op een voelbare en definitieve manier wie God is en hoe Hij handelt met de mens. 29 De liefde die Jezus’ optreden onder de mensen bezielt, is de liefde die de Zoon heeft ervaren in de intieme eenheid met de Vader. Het Nieuwe Testament laat ons toe om binnen te treden in de ervaring van de liefde van God, zijn Vader — “Abba” — die Jezus beleeft en meedeelt, waardoor wij in staat worden gesteld in het hart zelf van het goddelijke leven binnen te dringen. Jezus verkondigt de bevrijdende barmhartigheid van God aan hen die hij op zijn weg ontmoet, te beginnen bij de armen, de gemarginaliseerden en de zondaars. Hij nodigt allen uit hem te volgen omdat hij de eerste is om, op een geheel uitzonderlijke manier, te gehoorzamen aan Gods liefdesplan als zijn gezant in de wereld. Het bewustzijn dat Jezus heeft van de Zoon te zijn, is een uitdrukking van deze originele ervaring. Aan de Zoon is alles vanuit een volledig vrije gave door de Vader gegeven. “Alles wat de Vader heeft is ook van Mij” (Joh 16, 15). Omgekeerd is het Zijn missie om alle mensen te laten delen in dit geschenk en in deze kinderlijke relatie. “Voor Mij zijn jullie geen dienstknechten meer: een knecht heeft geen begrip van wat zijn meester doet. Vrienden noem Ik jullie, omdat Ik alles wat Ik van de Vader heb vernomen, aan jullie heb meegedeeld” (Joh 15, 15). Voor Jezus houdt de erkenning van de liefde van de Vader in dat hij zich voor zijn daden inspireert op dezelfde gratuïteit en barmhartigheid van God, die nieuw leven opwekken. Het betekent dat hij, door zijn bestaan, een voorbeeld en model voor zijn leerlingen wordt. Jezus’ leerlingen zijn geroepen om te leven zoals Hem en om, na zijn Pasen van dood en verrijzenis, in Hem en door Hem te leven, dankzij de overvloedige gave van de heilige Geest, de Vertrooster, die Christus’ eigen levensstijl verinwendigt in de harten van de mens. b) De openbaring van de drie-ene liefde 30 Met de onophoudelijke verbazing van zij die de onuitsprekelijke liefde van God hebben ervaren (vgl. Rom 8, 26), vat het Nieuwe Testament, in het licht van de volledige openbaring van de drie-ene liefde aangeboden door de Pasen van Jezus Christus, de ultieme betekenis van de incarnatie van de Zoon en zijn zending onder de mensen. De heilige Paulus schrijft: “Als God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard; voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd. En zou Hij ons na zo’n gave ook niet al het andere schenken?” (Rom 8, 31-32). De heilige Johannes gebruikt een gelijkaardige taal. “Hierin bestaat de liefde: niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad, en Hij heeft zijn Zoon gezonden om onze zonden uit te wissen” (1 Joh 4, 10). 31 Het gelaat van God, dat progressief geopenbaard werd in de heilsgeschiedenis, schittert in zijn volheid in het gelaat van Jezus Christus, gekruisigd en verrezen uit de dood. God is Drie-eenheid: Vader, Zoon en heilige Geest; waarlijk onderscheiden en waarlijk één, aangezien God oneindige liefdesgemeenschap is. Gods gratuite liefde voor de mensheid openbaart zich vóór alles als liefde die ontspringt aan de Vader, uit wie alles voortkomt; als de gratuite mededeling van deze liefde door de Zoon door zichzelf opnieuw aan de Vader en aan de mensheid te geven; als de altijd nieuwe vruchtbaarheid van de goddelijke liefde die door de heilige Geest in de harten van de mens wordt uitgestort (vgl. Rom 5, 5). Door zijn woorden en daden, en op een volledige en definitieve wijze door zijn dood en verrijzenis[8], openbaart Jezus aan de mensheid dat God Vader is en dat wij allemaal door de genade worden geroepen om zijn kinderen te worden in de Geest (vgl. Rom 8, 15; Gal 4, 6), en bijgevolg ook broeders en zusters onder elkaar. Daarom gelooft de Kerk ook vast dat “de sleutel, het centrum en de voltooiing van heel de geschiedenis van het mensdom te vinden zijn in haar Heer en Meester”[9]. 32 Mediterend over de gratuïteit en de overvloed van het goddelijke geschenk van de Zoon vanwege de Vader, die door Jezus werden onderwezen en waarvan hij getuigenis heeft afgelegd door zijn leven voor ons te geven, legt de apostel Johannes er de diepste betekenis en de meest logische consequentie van bloot. “Geliefden, als God ons zo heeft liefgehad, moeten ook wij elkaar liefhebben. Nooit heeft iemand God gezien, maar als wij elkaar liefhebben, woont God in ons, en is zijn liefde in ons volmaakt geworden” (1 Joh 4, 11-12). De wederkerigheid van de liefde wordt vereist door het gebod dat Jezus als “nieuw” en als “van hem” omschrijft. “Ik geef jullie een nieuw gebod: dat je elkaar liefhebt. Met de liefde die ik jullie heb toegedragen, moeten jullie elkaar ook liefhebben” (Joh. 13, 34). Het gebod van wederzijdse liefde toont hoe men het drie-ene leven in Christus binnen de Kerk, het Lichaam van Christus, moet beleven, en hoe men de geschiedenis moet omvormen totdat zij haar voltooiing bereikt in het hemelse Jeruzalem. 33 Het gebod van wederzijdse liefde, die de levenswet is van het Godsvolk,[10] moet alle menselijke relaties in de maatschappij en de politiek inspireren, zuiveren en verheffen. “Mens zijn betekent geroepen zijn tot interpersoonlijke gemeenschap”[11], omdat het beeld en de gelijkenis van de drie-ene God de grondslag vormen voor het geheel van het ganse “menselijke ‘ethos’, dat zijn hoogtepunt bereikt in het gebod van de liefde”[12]. Het moderne culturele, sociale, economische en politieke fenomeen van wederzijdse afhankelijkheid, die de banden die de mensenfamilie verenigt, intensifieert en bijzonder vanzelfsprekend maakt, accentueert nog maar eens in het licht van de openbaring “een nieuw model van eenheid voor de mensheid waardoor de solidariteit zich in laatste instantie moet laten inspireren. Dit hoogste model van eenheid, dat een weerspiegeling is van het innerlijke leven van God die één is in drie Personen, is het model dat wij, christenen, aanduiden met het woord ‘communio’”[13]. III. DE MENSELIJKE PERSOON IN GODS LIEFDESPLAN a) De drie-ene liefde, de oorsprong en het doel van de menselijke persoon 34 De openbaring in Christus van het mysterie van God als drie-ene liefde is tegelijk de openbaring van de roeping van de menselijke persoon tot de liefde. Deze openbaring werpt licht op elk aspect van de persoonlijke waardigheid en vrijheid van man én vrouw, evenals op de diepten van hun intrinsieke sociale natuur. “Een persoon zijn naar beeld en gelijkenis van God (…) houdt dus ook het bestaan in een relatie in, in een relatie tot de andere ‘ik’”[14], want God zelf, die één en drie-een is, is de gemeenschap van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. In de liefdesgemeenschap die God is en waarin de drie goddelijke personen elkaar wederzijds beminnen en de Enige God vormen, wordt de menselijke persoon geroepen om de oorsprong en het doel van zijn bestaan en van de geschiedenis te ontdekken. In de pastorale constitutie Gaudium et spes leren de concilievaders dat “wanneer de Heer Jezus Christus zijn Vader bidt, dat ‘allen één mogen zijn (…) zoals Wij één zijn’ (Joh 17, 21-22), Hij perspectieven opent die voor de menselijke geest ontoegankelijk zijn en Hij zinspeelt op een zekere gelijkheid tussen de eenheid van de goddelijke personen en de eenheid van de kinderen Gods in waarheid en liefde. Deze gelijkenis wijst erop dat de mens, die op aarde het enige schepsel is dat om zichzelf door God gewild is, zichzelf niet volledig kan vinden tenzij in de oprechte gave van zichzelf (vgl. Lc. 17, 33)”[15]. 35 De christelijke openbaring werpt een nieuw licht op de identiteit, de roeping en de uiteindelijke bestemming van de menselijke persoon en van de menselijke soort. Iedere persoon is geschapen door God, bemind en gered in Jezus Christus en vindt zijn vervulling in het scheppen van een netwerk van meervoudige relaties van liefde, rechtvaardigheid en solidariteit met andere personen terwijl hij zich inlaat met zijn verschillende activiteiten in de wereld. Wanneer menselijke activiteit gericht is op het bevorderen van de integrale waardigheid en roeping van de menselijke persoon, van de kwaliteit van zijn bestaanscondities en van het solidair ontmoeten van volken en naties, dan is dit in overeenstemming met het plan van God die niet ophoudt met het tonen van zijn liefde en voorzienigheid voor zijn kinderen. 36 De bladzijden van het eerste boek van de heilige Schrift, die de schepping van man én vrouw, naar het beeld en de gelijkenis van God beschrijven (vgl. Gn 1, 26-27), bevatten een fundamentele leer in verband met de identiteit en de roeping van de menselijke persoon. Zij delen ons mee dat de schepping van man en vrouw een vrije en gratuite daad van God is; dat man en vrouw, omdat zij vrij en intelligent zijn, het ‘gij’ geschapen door God vertegenwoordigen en dat zij alleen in relatie met Hem de authentieke en volledige betekenis van hun persoonlijk en sociaal leven kunnen ontdekken. Tevens tonen ze aan dat man en vrouw, precies in hun complementariteit en in hun wederkerigheid, het beeld zijn van de Drie-ene Liefde in de geschapen wereld en dat de Schepper aan hen, als culminatiepunt van de schepping, de taak heeft toevertrouwd om de geschapen natuur te ordenen volgens zijn plan (Gn 1, 28). 37 Het Boek Genesis geeft ons meerdere fundamenten van de christelijke antropologie: de onvervreemdbare waardigheid van de menselijke persoon, waarvan de grondslagen en de garantie in Gods scheppingsplan vervat zijn; de constitutieve sociale natuur van de menselijke wezens, met als prototype de oorspronkelijke relatie tussen man en vrouw, waarvan de verbondenheid “de oervorm is van de gemeenschap tussen personen”[16]; de betekenis van het menselijk handelen in de wereld die gerelateerd is aan het ontdekken van en het respect voor de wetten van de natuur die God in het geschapen universum heeft gelegd, zodat de mensheid erin kan leven, en er zorg voor kan dragen in overeenstemming met Gods wil. Deze visie op de menselijke persoon, op de samenleving en op de geschiedenis is geworteld in God en wordt steeds duidelijker zichtbaar naarmate zijn heilsplan zich in de realiteit ontvouwt. b) Christelijk heil: voor alle mensen en voor de ganse persoon 38 Het heil dat op initiatief van God de Vader in Jezus Christus in zijn volheid aan de mens werd geschonken en dat gerealiseerd en overgedragen werd door het werk van de heilige Geest, is heil voor alle mensen en voor de ganse persoon: het is universeel en integraal heil. Het omvat de menselijke persoon in al zijn dimensies: persoonlijk en sociaal, spiritueel en lichamelijk, historisch en transcendent. Het begint zich reeds te realiseren in de geschiedenis omdat het geschapene goed is en gewild door God en omdat de Zoon van God één van ons is geworden[17]. De voltooiing hiervan ligt evenwel in de toekomst, wanneer we samen met de ganse schepping (vgl. Rom 8) zullen worden geroepen om deel te hebben aan de opstanding van Christus en aan de eeuwige levensgemeenschap met de Vader in de vreugde van de heilige Geest. Deze zienswijze toont duidelijk de fout en de begoocheling van zuiver immanente visies op de betekenis van de geschiedenis en van de menselijke pretentie om zichzelf te redden. 39 Het heil dat God zijn kinderen aanbiedt, vereist hun vrij antwoord en instemming. Hierin bestaat het geloof waardoor de mens “zich vrijelijk geheel aan God toevertrouwt”[18] in een antwoord op Gods eerste en overvloedige liefde (vgl. 1 Joh 4, 10), door concrete liefde voor zijn broeders en zusters en met een standvastige hoop, want “Hij die de beloften deed is betrouwbaar” (Heb 10, 23). Het goddelijke heilsplan brengt in feite de menselijke wezens niet tot een staat van pure passiviteit of tot een lagere status ten opzichte van hun Schepper, omdat de relatie tot God, die Jezus Christus aan ons openbaart en waarin Hij ons vrijelijk laat delen door de werking van de heilige Geest, die is van een kind ten opzichte van zijn ouders: dezelfde relatie die Jezus beleeft met zijn Vader (vgl. Joh. 15-17; Gal 4, 6-7). 40 De universaliteit en integraliteit van het heil dat door Christus werd geschonken, schept een onlosmakelijke band tussen de relatie met God waartoe de mens geroepen is, en de verantwoordelijkheid van de mens tegenover zijn naaste in concrete historische omstandigheden. Dit wordt waargenomen, hoewel met een zekere verwarring of onbegrip, in de menselijke universele zoektocht naar waarheid en zingeving en het vormt de hoeksteen van Gods verbond met Israël, zoals wordt bevestigd door de tafelen van de wet en de prediking van de profeten. Deze band wordt klaar en duidelijk uitgedrukt in de leer van Jezus Christus en wordt definitief bevestigd door het uiterste getuigenis van het geven van zijn leven, uit gehoorzaamheid aan de wil van zijn Vader en uit liefde voor zijn broeders en zusters. Aan de schriftgeleerden die hem vragen “Wat is het allereerste gebod?” (Mc 12, 28), antwoordt Jezus als volgt. “Het eerste is dit: ‘Luister Israël, de Heer onze God is de enige Heer; U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel, met heel uw verstand en met heel uw kracht. Het tweede is dit: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Een ander gebod, groter dan deze twee, is er niet’” (Mc 12, 29-31). Intrinsiek verbonden met het menselijke hart zijn de relatie met God — erkend als Schepper en Vader, de bron en de voltooiing van leven en van heil — en de openheid in concrete liefde voor de mens, die moet worden behandeld als een ander zelf, ook wanneer hij een vijand is (vgl. Mt 5, 43-44). In de innerlijke dimensie van de mens ligt uiteindelijk het engagement besloten voor rechtvaardigheid en solidariteit, voor het opbouwen van een sociaal, economisch en politiek leven in overeenstemming met Gods plan. c) De leerling van Christus als een nieuw schepsel 41 Het persoonlijke en sociale leven evenals de menselijke actie in de wereld worden steeds getekend door de zonde. Jezus Christus heeft evenwel “door voor ons te lijden (…) niet slechts een voorbeeld gegeven hoe wij in zijn voetspoor kunnen treden, maar Hij heeft ook een weg gebaand. En als wij deze volgen, worden leven en dood geheiligd en krijgen ze een nieuwe betekenis”[19]. Christus’ leerling neemt in geloof en door de sacramenten deel aan Jezus’ Paasmysterie, waardoor zijn oude zelf met zijn kwade neigingen samen met Christus is gekruisigd. Als een nieuw schepsel wordt het hem dan mogelijk om “een nieuw leven te gaan leiden” (Rom 6,4). Dit “geldt niet alleen voor de christengelovigen, maar ook voor alle goedwillende mensen, in wier hart de genade op een onzichtbare wijze werkt. Daar Christus immers voor allen gestorven is en daar er voor alle mensen slechts één uiteindelijke roeping is, met name een goddelijke, moeten wij eraan vasthouden, dat de heilige Geest aan allen de mogelijkheid schenkt om, wanneer zij God eenmaal kennen, aan dit Paasmysterie deel te hebben”[20]. 42 Deze innerlijke transformatie van de menselijke persoon door zijn geleidelijke gelijkvormigheid met Christus, is de noodzakelijke eerste vereiste voor een echte transformatie van zijn relaties met anderen. “Men moet dan een beroep doen op de geestelijke en morele vermogens van de persoon en op de voortdurende eis tot innerlijke bekering, om de sociale veranderingen te bereiken die de mens werkelijk ten dienste staan. De voorrang die toegekend wordt aan de bekering van het hart neemt niet weg, maar gebiedt juist dat men verplicht is de instellingen en levensomstandigheden, wanneer deze tot zonde leiden, zo te veranderen dat ze overeenstemmen met de eisen van de rechtvaardigheid en het goede bevorderen in plaats van het te verhinderen”[21]. 43 Het is niet mogelijk om zijn naaste te beminnen als zichzelf en om te volharden in dit gedrag zonder de vaste en voortdurende beslistheid om te werken voor het welzijn van alle mensen en van elke persoon, omdat we allemaal verantwoordelijk zijn voor elkaar[22]. Volgens de leer van het Concilie, “moeten respect en liefde zich ook uitstrekken tot hen die op sociaal gebied, in politiek en ook in godsdienst anders denken en handelen dan wij (…) Hoe meer en hoe dieper begrip wij in menselijkheid en christelijke liefde van hun ideeën krijgen, des te gemakkelijker zullen zij met hen een dialoog kunnen aangaan”[23]. Deze weg vereist genade die God geeft aan de mens om hem te helpen zijn fouten te overwinnen, om hem te bevrijden uit de spiraal van de leugen en het geweld, om hem te ondersteunen en hem aan te zetten om het netwerk van authentieke en eerlijke relaties met zijn medemens te herstellen met een steeds nieuwe en parate geest[24]. 44 Zelfs de relatie met het geschapen universum en de menselijke activiteit die gericht is op het verzorgen en transformeren van dit universum — een activiteit die dagelijks wordt bedreigd door de menselijke trots en zijn ontregelde zelfliefde — moeten worden gezuiverd en vervolmaakt door het kruis en de opstanding van Christus. “Door Christus immers verlost en in de heilige Geest een nieuw schepsel geworden, kan en moet de mens juist het door God geschapene beminnen. Van God immers ontvangt hij het en hij heeft er respect en eerbied voor, omdat het als uit Gods hand voortvloeit. Zijn Weldoener ervoor dankend en van het geschapene in armoede en vrijheid van geest gebruik makend en genietend, geraakt hij in het waarachtige bezit van de wereld, alsof hij niets heeft en toch alles bezit, ‘want… alles is van u, maar gij zijt van Christus en Christus is van God’ (1 Kor 3, 22-23)”[25]. d) De transcendentie van het heil en de autonomie van de aardse realiteiten 45 Jezus Christus is de mensgeworden Zoon van God in wie en dankzij wie de wereld en de mens tot hun authentieke en volle waarheid komen. Het mysterie van God die de mens oneindig nabij is — wat tot stand kwam in de incarnatie van Jezus Christus, die zichzelf gaf op het kruis waarbij hij zichzelf overgaf aan de dood — toont dat hoe meer het menselijke wordt gezien in het licht van Gods plan en wordt beleefd in gemeenschap met God, hoe meer het ook wordt gesterkt en bevrijd in zijn identiteit en in de vrijheid die het eigen is. Deelname aan Christus’ leven als Zoon, dat mogelijk werd gemaakt door de incarnatie en door het paschale geschenk van de Geest, heeft, verre van een afsterven te zijn, het effect van de vrijmaking van de authentieke en onafhankelijke karaktertrekken en identiteit die de menselijke wezens in al hun verschillende uitdrukkingen kenmerken. Dit perspectief leidt tot een juiste benadering van de aardse realiteiten en hun autonomie, die sterk wordt benadrukt door de leer van het tweede Vaticaans concilie: “Als wij onder ‘autonomie van het aardse’ verstaan, dat de geschapen dingen en de gemeenschappen zelf eigen wetten en waarden bezitten die, door de mens stap voor stap onderkend, aangewend en geordend moeten worden, dan is het alleszins geoorloofd deze als eis naar voren te brengen (…) Dit stemt ook overeen met de wil van de Schepper. Vanwege het feit immers dat alle dingen geschapen zijn, hebben ze een eigen bestand met een eigen waarheid en goedheid, hebben ze ook eigen wetten en structuren, waarvoor de mens respect moet hebben, door de eigen methodieken van de verschillende wetenschappen of technieken te erkennen”[26]. 46 Er is geen toestand van conflict tussen mens en God, maar wel een liefdesrelatie waarin de wereld en de vruchten van menselijke activiteit in de wereld objecten zijn van wederzijdse gave tussen de Vader en zijn kinderen en tussen de kinderen onderling, in Jezus Christus. In Christus en dankzij hem bereiken de wereld en de mens hun authentieke en inherente betekenis. In een universele visie op Gods liefde, die alles wat bestaat omvat, wordt God zelf aan ons geopenbaard door Christus als Vader en gever van leven, en wordt de mens geopenbaard als hij die in Christus alles van God als geschenk nederig en vrij ontvangt, en die waarachtig alles als zijn eigendom bezit wanneer hij weet en ervaart dat alles God toebehoort, in God zijn oorsprong vindt en naar God toe beweegt. In die zin leert het tweede Vaticaans concilie: “Maar als men onder ‘autonomie van het tijdelijke’ verstaat, dat het geschapene niet van God afhankelijk is, en dat de mens zich deze zo ten nutte kan maken, dat hij ze niet op de Schepper betrekt, dan voelt iedereen die God erkent aan, hoe bedrieglijk dergelijke ideeën zijn. Zonder een Schepper verdwijnt immers het schepsel in het niet”[27]. 47 De menselijke persoon transcendeert in zichzelf en in zijn roeping de grenzen van het universum, van de maatschappij en van de geschiedenis: zijn ultieme doel is God zelf[28], die zichzelf heeft geopenbaard aan de mensen om hen uit te nodigen en op te nemen in de gemeenschap met Hem[29]. “De mens kan zichzelf niet geven aan een ontwerp van de realiteit dat alleen menselijk is, aan een abstract ideaal of aan een valse utopie. Als persoon kan hij zichzelf geven aan een andere persoon of aan andere personen of tenslotte aan God, die de schepper van zijn wezen is en de enige die zijn gave volledig kan aanvaarden”[30]. Daarom “is de mens vervreemd die weigert zichzelf te overstijgen en de ervaring te beleven van de zelfgave en van de vorming van een authentieke menselijke gemeenschap, die gericht is op zijn laatste bestemming, die God is. Vervreemd is de maatschappij die in haar vormen van sociale organisatie, van productie en van consumptie de realisering van die gave en de vestiging van die solidariteit onder de mensen moeilijker maakt”[31]. 48 De menselijke persoon kan en mag niet worden gemanipuleerd door sociale, economische of politieke structuren, omdat elke persoon over de vrijheid beschikt om zich te richten op zijn ultiem doel. Anderzijds moet elke culturele, sociale, economische en politieke verwezenlijking, waarin de sociale natuur van de persoon en zijn activiteit om de wereld te veranderen, wordt bewerkstelligd in de geschiedenis, altijd worden beschouwd in de context van zijn relatieve en voorlopige realiteit, omdat “de wereld die wij zien voorbijgaat” (1 Kor 7, 31). We kunnen hier spreken van een eschatologische relativiteit, in de zin dat de mens en de wereld zich in de richting van hun doel bewegen en dat de vervulling van hun bestemming in God is. We kunnen ook spreken van een theologische relativiteit voor zover de gave van God, waardoor de definitieve eindbestemming van de mensheid en van de schepping zullen worden bereikt, oneindig groter is dan menselijke mogelijkheden en verwachtingen. Elke totalitaire visie op de maatschappij en de staat en elke zuiver binnenwereldse ideologie van vooruitgang zijn strijdig met de integrale waarheid omtrent de menselijke persoon en Gods plan in de geschiedenis. IV. GODS PLAN EN DE ZENDING VAN DE KERK a) De Kerk, teken en bescherming van de transcendentie van de menselijke persoon 49 De Kerk, de gemeenschap van hen die door de verrezen Christus werden samengebracht en die besloten hebben om Hem te volgen, is “teken en bescherming van de transcendentie van de menselijke persoon”[32]. Ze is “in Christus (…) als het ware het sacrament, dat wil zeggen het teken en het instrument van de innige vereniging met God en van de eenheid van heel het menselijk geslacht”[33]. Haar zending is dat van de verkondiging en de mededeling van het heil dat door Christus werd bewerkstelligd en dat Hij “het koninkrijk van God” (Mc. 1, 15) noemt, dit wil zeggen: de gemeenschap met God en tussen de mensen. Het doel van het heil, het koninkrijk van God, omvat alle mensen en wordt volledig gerealiseerd voorbij de geschiedenis, in God. De Kerk heeft “de zending ontvangen om het koninkrijk van God en van Christus te verkondigen en bij alle volken te vestigen; en van dat rijk is zij op aarde de kiem en de aanvang”[34]. 50 De Kerk stelt zichzelf concreet ten dienste van het koninkrijk van God en dit bovenal door de verkondiging en de mededeling van het Evangelie van het heil en door het oprichten van nieuwe christelijke gemeenschappen. Bovendien dient de Kerk “tevens het Rijk door in de wereld de ‘evangelische waarden’ te verspreiden, die uitdrukking van het Rijk zijn en de mensen helpen om het plan van God te aanvaarden. Het is dus waar dat een begin van verwerkelijking van het Rijk zich ook buiten de grenzen van de Kerk in de gehele mensheid kan bevinden, voor zover deze leeft uit de ‘evangelische waarden’ en zich openstelt voor de werking van de heilige Geest, die blaast waarheen Hij wil (vgl. Joh 3, 8). Men moet hieraan onmiddellijk toevoegen dat deze tijdelijke dimensie van het Rijk onvolledig is als zij niet georiënteerd is op het Rijk van Christus, dat in de Kerk aanwezig is en gericht is op de eschatologische volheid”[35]. Hieruit volgt in het bijzonder dat de Kerk niet mag worden verward met de politieke gemeenschap en dat zij niet gebonden is aan gelijk welk politiek systeem[36]. De politieke gemeenschap en de Kerk zijn autonoom en onafhankelijk van elkaar op hun eigen terrein en beide zijn, weliswaar op een verschillende manier, “dienstbaar aan de persoonlijke en maatschappelijke roeping van dezelfde mensen”[37]. Men mag inderdaad stellen dat het onderscheid tussen religie en politiek en het principe van de godsdienstvrijheid specifieke verworvenheden van het christendom zijn die een groot historisch en cultureel belang bezitten. 51 Volgens Gods liefdesplan zoals gerealiseerd in Christus, heeft de identiteit en de zending van de Kerk in de wereld “een eschatologische heilsbestemming, die slechts in de toekomstige wereld volledig bereikt kan worden”[38]. Juist daarom levert de Kerk een originele en onvervangbare bijdrage met haar zorg om de mensenfamilie en haar geschiedenis meer menselijk te maken, wat haar ertoe aanzet om zichzelf op te werpen als schans tegen elke totalitaire verleiding door aan de mens zijn integrale en definitieve roeping te tonen[39]. Door haar prediking van het Evangelie, de genade van de sacramenten en de ervaring van de broederlijke gemeenschap, geneest en verheft de Kerk “de waardigheid van de menselijke persoon, verstevigt [zij] de banden van de menselijke gemeenschap en geeft [zij ]aan de dagelijkse wereldlijke activiteiten van de mensen een diepere zin en betekenis”[40]. Daarom kan, op het niveau van de concrete historische dynamiek, de komst van het koninkrijk Gods nooit worden gevat vanuit een gedetermineerde en definitieve sociale, economische of politieke organisatie. De komst van het Koninkrijk Gods uit zich veeleer in de ontwikkeling van de menselijke socialiteit die voor de mensheid een zuurdeeg is voor het bereiken van heelheid, rechtvaardigheid en solidariteit, in openheid voor het Transcendente dat als een referentiepunt dient voor ieders eigen persoonlijke en definitieve vervulling. b) De Kerk, het koninkrijk Gods en de vernieuwing van de sociale relaties 52 God verlost in Christus niet alleen de individuele persoon maar ook de sociale relaties tussen de mensen. Zoals de apostel Paulus leert, laat het leven in Christus de identiteit en de socialiteit van de menselijke persoon — met de concrete gevolgen op het historische en het sociale vlak — op een volledige en nieuwe manier oprijzen: “Want u bent allemaal kinderen van God door het geloof, in Christus Jezus. Want allemaal bent u in Christus gedoopt, met Christus bekleed. Er is geen Jood of Griek meer, er is geen slaaf of vrije, het is niet man en vrouw: u bent allemaal één in Christus Jezus” (Gal 3, 26-28). In dit perspectief bieden de kerkelijke gemeenschappen, samengebracht door de boodschap van Jezus Christus en verzameld in de heilige Geest rond de verrezen Heer (vgl. Mt 18, 20; 28, 19-20, Lc 24, 46-49), zichzelf aan als plaatsen van gemeenschap, getuigenis en zending, en als zuurdesem voor de verzoening en de transformatie van sociale relaties. De prediking van het Evangelie van Jezus spoort de leerlingen van Jezus aan om op de toekomst vooruit te lopen door de wederzijdse relaties te hernieuwen. 53 De transformatie van de sociale relaties die beantwoordt aan de vereisten van het koninkrijk Gods, is niet eens en voor altijd vastgelegd binnen concrete vormgevingen. Het betreft veeleer een taak die aan de christelijke gemeenschap werd toevertrouwd, die deze taak moet ontwikkelen en uitvoeren door reflectie en praktijken geïnspireerd door het Evangelie. Het is dezelfde Geest van de Heer die het volk van God leidt en tegelijk het ganse universum vervult[41], die van tijd tot tijd inspireert tot nieuwe en geschikte wegen voor de mensheid om zijn creatieve verantwoordelijkheid uit te oefenen[42]. Deze inspiratie wordt gegeven aan de gemeenschap van christenen die deel uitmaakt van de wereld en van de geschiedenis, en die daarom openstaat voor dialoog met alle mensen van goede wil in de gemeenschappelijke zoektocht naar de zaden van de waarheid en vrijheid die gezaaid zijn in het grote veld van de mensheid[43]. De dynamiek van deze vernieuwing moet verankerd zijn in de onveranderlijke principes van de natuurwet, die door God, de Schepper werd gegrift in al zijn schepselen (vgl. Rom 2, 14-15) en die baadt in het eschatologische licht door Jezus Christus. 54 Jezus Christus openbaart ons “dat God liefde is” (1 Joh 4, 8) en daarin leert Hij ons dat “de fundamentele wet van de menselijke volmaaktheid, en dus van de omvorming van de wereld, het nieuwe gebod van de liefde is. Aan hen die zich aan de goddelijke liefde overgeven, verzekert Hij, dat de weg van de liefde voor alle mensen openstaat en dat de poging tot een medemenselijkheid die heel de wereld omvat niet ijdel is”[44]. Deze wet is geroepen om de ultieme maatstaf en regel voor elke dynamiek in verband met menselijke relaties te worden. Kortom, het is precies het mysterie van God, de drie-ene liefde, die de basis vormt van de betekenis en de waarde van de persoon, de socialiteit, van de menselijke activiteit in de wereld, voor zover het aan de mensheid geopenbaard werd en zij er deelachtig aan geworden is door Jezus Christus in zijn Geest. 55 De transformatie van de wereld is tevens een fundamentele vereiste van onze tijd. De sociale leer van de Kerk wil aan deze nood tegemoet komen met alle antwoorden waartoe de tekenen des tijds aanzetten, door vooral te benadrukken dat de wederzijdse liefde tussen mensen, in het oog van God, het krachtigste instrument ter verandering is, zowel op persoonlijk als op sociaal vlak. Wederzijdse liefde die deelt in de oneindige liefde van God, is in feite het authentieke doel van de mensheid, zowel historisch als transcendent. “Al moet de aardse vooruitgang zorgvuldig worden onderscheiden van de groei van het rijk Gods, toch is hij in het Godsrijk ten zeerste betrokken, voor zover hij kan bijdragen tot een betere ordening van de mensengemeenschap”[45]. c) Nieuwe hemelen en een nieuwe aarde 56 Gods belofte en de verrijzenis van Jezus Christus wekken bij de christenen de gegronde hoop op dat er een nieuwe en eeuwige verblijfplaats is voorbereid voor elke menselijke persoon, een nieuwe aarde waar rechtvaardigheid heerst (vgl. 2 Kor 5, 1-2; 2 Pe 3, 13): “Wanneer dan de dood is overwonnen, zullen de kinderen Gods in Christus ter verrijzenis worden gewekt, en wat in zwakheid en bedorvenheid gezaaid werd, zal met onsterfelijkheid worden bekleed; de liefde en haar werken zullen blijven, maar die gehele schepping, die God omwille van de mens geschapen heeft, zal bevrijd worden van de slavernij van de ijdelheid”[46]. Deze hoop mag de aandacht voor het werk dat nodig is in de huidige realiteit, niet verzwakken maar moet deze juist versterken. 57 De goede dingen — zoals de menselijke waardigheid, broederlijkheid en vrijheid, al de goede vruchten van de natuur en van onze inspanningen — die in de Geest van de Heer en in overeenstemming met zijn gebod zich over deze aarde hebben verspreid, die werden gezuiverd van elke smet en werden verlicht en getransfigureerd, behoren tot het Koninkrijk van waarheid en leven, van heiligheid en genade, van rechtvaardigheid, van liefde en vrede die Christus zal aanbieden aan de Vader. En het is daar waar we hen opnieuw zullen terugvinden. Dan zullen de woorden van Christus in hun plechtige waarheid weerklinken voor alle volken: “Kom, gezegenden van mijn Vader, neem het koninkrijk in bezit dat vanaf het begin van de schepping voor jullie klaar ligt. Want Ik had honger en jullie hebben Me te eten gegeven, Ik had dorst en jullie hebben Me te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en jullie hebben Me opgenomen. Ik was naakt en jullie hebben Me gekleed, Ik was ziek en jullie hebben naar Me omgezien, Ik zat in de gevangenis en jullie kwamen naar Me toe (…) alles wat je voor één van deze minste broeders van Mij hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan” (Mt 25, 34-36, 40). 58 De complete vervulling van de menselijke persoon, gerealiseerd in Christus dankzij de gave van de Geest, voltrekt zich in de geschiedenis en wordt gemedieerd door persoonlijke relaties met andere mensen, relaties die op hun beurt de volmaaktheid bereiken dankzij het engagement voor de verbetering van de wereld in rechtvaardigheid en vrede. Menselijke activiteit in de geschiedenis is uit zichzelf betekenisvol en doeltreffend voor de definitieve realisatie van het koninkrijk, hoewel dit laatste uiteindelijk een vrije gave van God blijft, die volledig transcendent is. Dergelijk handelen, wanneer het de objectieve orde van de tijdelijke realiteit respecteert en verlicht is door waarheid en liefde, wordt een instrument voor het steeds vollediger en meer integraal realiseren van rechtvaardigheid en vrede en het anticipeert in het heden op het beloofde koninkrijk. Door zichzelf te conformeren aan Christus, de Verlosser, ziet de mens zichzelf als een door God gewild wezen dat door Hem voor eeuwig werd uitverkozen, geroepen tot genade en glorie in de ganse volheid van het mysterie waarin hij deelgenoot in Jezus Christus is geworden[47]. Het geconformeerd zijn aan Christus en het beschouwen van zijn gelaat[48], prent bij christenen een ononderdrukbaar verlangen in naar een voorsmaak in deze wereld — in de context van menselijke relaties — van wat een realiteit zal zijn in de toekomstige wereld. Daarom streven christenen ernaar om voedsel, drank, kleding, beschutting en zorg te geven, wat een welkom aan en een gezelschap voor de Heer is die klopt op de deur (vgl. Mt 25, 35-37). d) Maria en haar “fiat” aan Gods liefdesplan 59 De erfgename van de hoop van de rechtvaardigen in Israël en de eerste onder de leerlingen van Jezus Christus, is Maria, zijn moeder. Door haar “fiat” aan het plan van Gods liefde (vgl. Lc 1, 38), aanvaardt zij, in de naam van de ganse mensheid, in de geschiedenis de gezondene door de Vader, de redder van de mensheid. In haar Magnificat verkondigt zij de komst van het heilsmysterie, de komst van de “Messias van de armen” (vgl. Js 11, 4; 61, 1). De God van het verbond, die door de Maagd van Nazareth in een lied wordt bejubeld, is Hij die de machthebbers van hun troon stoot en die de vernederden verheft, die de hongerigen overlaadt met het beste en die rijken met lege handen wegstuurt, die hen die zich verheven wanen uiteen slaat en die barmhartigheid betoont aan wie Hem eerbiedigt (vgl. Lc 1, 50-53). Door te kijken naar het hart van Maria en naar de diepte van haar geloof dat uitgedrukt wordt in de woorden van het Magnificat, worden de leerlingen van Christus opgeroepen om steeds beter in zichzelf “het bewustzijn [te hernieuwen] dat de waarheid over God die redt, over God die de bron van iedere schenking is, niet kan worden gescheiden van het betonen van zijn voorliefde voor de armen en de geringen, die bezongen wordt in het Magnificat en vervolgens een uitdrukking heeft gevonden in de woorden en de daden van Jezus”[49]. Maria is volledig afhankelijk van God en door de vurigheid van haar geloof volledig naar Hem gericht. Ze is “de meest volmaakte icoon van de vrijheid en van de bevrijding van de mensheid en van het universum”[50].
HOOFDSTUK TWEE DE MISSIE VAN DE KERK EN DE SOCIALE LEER I. EVANGELISATIE EN SOCIALE LEER a) De Kerk, Gods verblijfplaats onder de mensen 60 De Kerk, die deelt in de vreugde en de hoop van de mensen, in hun angsten en verdriet, is solidair met elke man en vrouw op elke plaats en in elke tijd, om hun het goede nieuws van het koninkrijk van God te brengen, dat met Jezus Christus is gekomen en onder hen blijft[51]. Zij is, onder de mensen en in de wereld, het sacrament van Gods liefde en daarom ook van de meest schitterende hoop, die elke authentieke onderneming en engagement voor menselijke bevrijding en vooruitgang inspireert en ondersteunt. De Kerk is aanwezig onder de mensheid als Gods tent van ontmoeting, “Gods verblijfplaats onder de mensen” (Apk 21, 3), zodat de mens niet alleen is, verloren of angstig in zijn taak om de wereld meer menselijk te maken. Man en vrouw vinden dus steun in de verlossende liefde van Christus. Als bedienaar van het heil, bevindt de Kerk zich niet in een abstracte of een louter spirituele dimensie. Zij beweegt zich in de context van de geschiedenis en van de wereld waarin de mens leeft[52]. Hier is de mensheid vergezeld van Gods liefde en van de roeping om te beantwoorden aan het goddelijke plan. 61 Uniek en onherhaalbaar in zijn individualiteit is elke persoon een wezen dat openstaat voor relaties met de anderen in de maatschappij. Samenleven in de maatschappij, in het netwerk van relaties dat individuen, gezinnen en intermediaire groepen verbindt door ontmoeting, communicatie en uitwisseling, verzekert een hogere levenskwaliteit. Het algemeen welzijn dat mensen nastreven en bereiken in de vorming van sociale gemeenschappen, is de garantie voor hun persoonlijke, familiale en associatieve goed[53]. Dit zijn de gronden van waaruit de samenleving ontstaat en vorm krijgt, met haar reeks van structuren, dit wil zeggen haar politieke, economische, juridische en culturele constructen. Tot de mens, “voor zover hij opgenomen is in het ingewikkelde netwerk van relaties van de moderne maatschappij”[54], richt de Kerk haar sociale leer. Als een expert in humaniteit[55] is zij in staat om de mens te begrijpen in zijn roeping en aspiraties, in zijn grenzen en bange twijfels, in zijn rechten en plichten, en om een woord van leven te spreken dat weergalmt in de historische en sociale omstandigheden van het menselijke bestaan. b) De maatschappij verrijken en doordringen met het Evangelie 62 Met haar sociale leer wil de Kerk het Evangelie verkondigen en aanwezig stellen in het complexe netwerk van sociale relaties. Het gaat niet eenvoudigweg om het bereiken van de mens in de samenleving — de mens als de bestemmeling van de verkondiging van het Evangelie — maar wel om het verrijken en doordringen met het Evangelie van de maatschappij zelf[56]. Voor de Kerk betekent het zich buigen over de noden van de mens tevens dat zij de maatschappij in haar missionaire en heilbrengende taak betrekt. De manier waarop mensen samenleven in de maatschappij, bepaalt dikwijls de levenskwaliteit en daarom ook de condities waarin elke man en vrouw zichzelf verstaan en waarin zij beslissingen nemen omtrent zichzelf en hun roeping. Om die reden staat de Kerk niet onverschillig tegenover wat wordt beslist, voortgebracht of ervaren in de maatschappij. Ze let op de morele kwaliteit — dus de authentieke menselijke en humaniserende aspecten — van het sociale leven. De maatschappij — en met haar ook politiek, economie, werk, recht, cultuur — is niet eenvoudigweg een seculiere of wereldse realiteit, die dus buiten de boodschap en de economie van het heil staat of hieraan vreemd zou zijn. De maatschappij, met alles wat zich daarin verwezenlijkt, belangt immers de mens aan. De maatschappij bestaat uit mensen die “de eerste en fundamentele weg vormen die de Kerk moet gaan”[57]. 63 Door middel van haar sociale leer vervult de Kerk haar taak van verkondiging die de Heer aan haar heeft toevertrouwd. Ze brengt de boodschap van Christus van vrijheid en verlossing, het Evangelie van het koninkrijk, aanwezig in de menselijke geschiedenis. In de verkondiging van het Evangelie “getuigt de Kerk, in Christus’ naam, tegenover de mens van zijn eigen waardigheid en van zijn geroepen-zijn tot een gemeenschap van personen; ze houdt hem de eisen voor van rechtvaardigheid en vrede, die overeenstemmen met de goddelijke wijsheid”[58]. Net zoals het Evangelie dat dankzij de Kerk weerklinkt in het heden van de mens[59], is de sociale leer van de Kerk een woord dat bevrijding brengt. Dit betekent dat zij de effectiviteit bezit van waarheid en genade die uit de Geest van God voortkomt, die de harten binnendringt en hen ontvankelijk maakt voor gedachten en plannen van liefde, rechtvaardigheid, vrijheid en vrede. De evangelisatie van de sociale sector komt bijgevolg neer op het in het mensenhart influisteren van de kracht van zingeving en vrijheid die in het Evangelie wordt gevonden, om zo een maatschappij te bevorderen die past voor de mens omdat ze past voor Christus: dit staat gelijk met de bouw van een stad voor de mens die meer humaan is omdat die meer de vorm aanneemt van het koninkrijk van God. 64 Met haar sociale leer wijkt de Kerk niet af van haar missie; ze is er integendeel strikt tro |