![]() |
![]() |
|
|
APOSTOLISCHE POSTSYNODALE EXHORTATIE
INLEIDING 1. Sacrament van de liefde[1], de hoogheilige Eucharistie is het geschenk van de zelfgave van Jezus Christus, waardoor Hij ons Gods oneindige liefde voor iedere mens openbaart. In dit wonderbare sacrament toont zich de “grotere” liefde die ertoe aanzet “het eigen leven te geven voor zijn vrienden” (vgl. Joh. 15,13). Ja, Jezus heeft de Zijnen “ten einde toe” liefgehad (Joh. 13,1). Deze woorden van de evangelist vormen de inleiding op Jezus’ gebaar van oneindige nederigheid: voordat Hij voor ons aan het kruis stierf, waste Hij, omgord met een linnen doek, de voeten van zijn leerlingen. Op dezelfde wijze blijft Jezus ons in het sacrament van de Eucharistie “ten einde toe” liefhebben, tot aan de gave van zijn Lichaam en zijn Bloed. Wat moeten de gebaren en de woorden van de Heer tijdens dat Avondmaal de apostelen hebben verwonderd! Wat moet het mysterie van de Eucharistie ook een verwondering opwekken in ons hart! Het voedsel van de waarheid 2. In het sacrament van het altaar komt de Heer de mens, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis (vgl. Gen. 1,27) tegemoet, en wordt zijn reisgezel. In dit sacrament maakt de Heer zich namelijk tot voedsel voor de mens die hongert naar waarheid en vrijheid. Omdat alleen de waarheid ons werkelijk vrij kan maken (vgl. Joh. 8, 32), maakt Christus zich voor ons tot voedsel van de waarheid. Met een scherpzinnige kennis van de menselijke werkelijkheid, heeft Sint Augustinus verduidelijkt dat de mens vrijwillig, en niet onder dwang, in beweging raakt als hij betrokken is op iets dat hem aantrekt en dat verlangen in hem opwekt. Als de heilige bisschop zich dan afvraagt wat de mens uiteindelijk ten diepste zou kunnen bewegen, roept hij uit: “Wat begeert de ziel dan heviger dan de waarheid?”[2] Inderdaad draagt iedere mens in zich het onverzadigbare verlangen naar de ultieme en definitieve waarheid. Daarom wendt Jezus, de Heer, “de weg, de waarheid en het leven” (Joh. 14,6), zich tot het smachtende hart van de mens, die zich een dorstende pelgrim voelt, tot het hart dat verlangt naar de bron des levens, tot het hart dat worstelt om de Waarheid. Jezus Christus is inderdaad de Persoon geworden waarheid, die de wereld tot zich trekt. “Jezus is de poolster van de menselijke vrijheid; zonder Hem verliest de vrijheid haar oriëntatie want zonder de kennis van de waarheid ontaardt de vrijheid; zij isoleert zich en wordt tot onvruchtbare willekeur”[3]. In het sacrament van de Eucharistie toont Jezus ons in het bijzonder de waarheid van de liefde, die het wezen van God zelf is. Deze op het evangelie gebaseerde waarheid betreft iedere mens en de gehele mens. De Kerk, die in de Eucharistie haar onontbeerlijk middelpunt vindt, zet zich daarom onophoudelijk in om aan allen te verkondigen dat God liefde is, of men dat nu wil horen of niet (vgl. 2 Tim. 4,2). [4] Juist omdat Christus voor ons het voedsel van de waarheid is geworden, wendt de Kerk zich tot de mens en nodigt hem uit het geschenk van God vrijmoedig aan te nemen. De ontwikkeling van de Eucharistische Ritus 3. Als wij terugblikken op de tweeduizend jaar oude geschiedenis van de Kerk van God, die geleid wordt door het wijze handelen van de heilige Geest, bewonderen wij vol dankbaarheid de in de loop van de tijd geordende ontwikkeling van de rituele vormen waarin wij de voltrekking van ons heil gedenken. Van de veelsoortige vormen van de eerste eeuw, die nog oplichten in de riten van de oude Kerken van het oosten, tot aan de verbreiding van de Romeinse ritus, van de duidelijke aanwijzingen van het Concilie van Trente, en het missaal van de heilige Pius V, tot aan de door het Tweede Vaticaans Concilie in gang gezette liturgiehervorming: in ieder tijdperk van de geschiedenis van de Kerk schittert de Eucharistieviering als bron en hoogtepunt van haar leven en haar zending, in heel haar liturgische verscheidenheid en rijkdom. De Elfde Algemene Gewone Bisschoppensynode , die van 2 tot 23 oktober 2005 in het Vaticaan plaats vond, heeft, wat betreft deze geschiedenis, grote dankbaarheid jegens God uitgesproken en erkend dat de leiding van de heilige Geest hier werkzaam is geweest. In het bijzonder hebben de synodevaders de zegenrijke invloed op het leven van de Kerk vastgesteld en bevestigd van de sinds het Tweede Vaticaans Concilie verwezenlijkte liturgiehervorming.[5] De bisschoppensynode was in de gelegenheid te evalueren hoe deze vernieuwing na het Concilie was ontvangen. Er was bijzonder veel waardering. Bevestigd werd dat de moeilijkheden, en ook enkele gemelde misbruiken, de waarde en de effectiviteit van de liturgiehervorming, die rijkdommen bevat die nog onvoldoende zijn ontdekt, niet kunnen verduisteren. Concreet gaat het erom dat de door het Concilie beoogde veranderingen begrepen moeten worden in de context van de eenheid, die de historische ontwikkeling van de ritus zelf kenmerkt, zonder dat er onnatuurlijke breuken optreden.[6] De Bisschoppensynode en het Jaar van de Eucharistie 4. Overigens is het noodzakelijk de verhouding te benadrukken tussen de laatste bisschoppensynode over de Eucharistie en datgene wat de laatste jaren in het leven van de Kerk is gebeurd. Om te beginnen moeten wij in de geest terugkeren naar het Grote Jubileum van het jaar 2000, waarmee mijn dierbare voorganger, de dienaar Gods Joannes Paulus II, de Kerk het derde millennium heeft binnen geleid. Het jubileumjaar droeg onmiskenbaar een sterk eucharistisch stempel. Daarnaast mag men niet vergeten dat het door Joannes Paulus II met zeer vooruitziende blik voor de hele Kerk gewilde Jaar van de Eucharistie aan de bisschoppensynode vooraf ging en deze in zekere zin heeft voorbereid. Deze periode, die met het Internationale Eucharistische Congres in Guadalajara in oktober 2004 is begonnen, werd aan het einde van de Elfde Synodale Bijeenkomst afgesloten met de heiligverklaring van vijf zaligen, die zich bijzonder hadden onderscheiden door hun eucharistische vroomheid: Bisschop Józef Bilczewski, de priesters Gaetano Catanoso, Zygmunt Gorazdowski en Alberto Hurtado Cruchaga, en de Kapucijn Felice da Nicosia. Op grond van de door Joannes Paulus II in de Apostolische Brief Mane nobiscum Domine [7] neergelegde leer en dankzij de waardevolle voorstellen van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten [8] hebben de bisdommen en verscheidene kerkelijke organisaties talrijke initiatieven genomen om bij de gelovigen het eucharistisch geloof te doen herleven en groeien, om de zorgvuldigheid bij de viering te vergroten en de Eucharistische Aanbidding te bevorderen, om aan te sporen tot een actieve solidariteit, die zich vanuit de Eucharistie uitstrekt naar de behoeftigen. Ten slotte moet ook de laatste encycliek Ecclesia de Eucharistia [9] van mijn vereerde Voorganger genoemd worden, waarin hij ons een zeker en leerstellig houvast heeft nagelaten over de leer van de Eucharistie en een laatste getuigenis van de centrale rol die dit goddelijk sacrament in zijn leven heeft gespeeld. Het doel van deze brief 5. Deze postsynodale Exhortatie heeft als streven het uitwerken van de veelsoortige rijkdom van de beschouwingen en voorstellen die voortgekomen zijn uit de laatste Gewone Algemene Vergadering van de Bisschoppensynode – van de Lineamenta over het Instrumentum laboris, de Relationes ante et post disceptationem, de bijdragen van de synodevaders, de auditores en de gedelegeerden van de zusterkerken – om enige fundamentele richtlijnen te formuleren, met als doel een nieuwe eucharistische impuls en nieuwe eucharistische ijver in de Kerk op te wekken. In het bewustzijn van de veelomvattende leerstellige en disciplinaire erfenis, die zich in de loop der eeuwen met betrekking tot dit sacrament heeft opgestapeld [10], wil ik in dit document de wens van de synodevaders [11] tot de mijne maken en bovenal het christelijk volk oproepen tot een inhoudelijke verdieping van de relatie tussen eucharistisch mysterie, liturgische handeling en de uit de Eucharistie voortvloeiende nieuwe geestelijke dienst als het sacrament van de naastenliefde. Vanuit dit gezichtspunt wil ik deze brief in verband brengen met mijn eerste encycliek Deus caritas est, waarin ik bij herhaling over het sacrament van de Eucharistie heb gesproken, om de relatie van dit sacrament met de christelijke liefde tot God en de naaste te verduidelijken: “De mensgeworden God trekt ons allen tot zich. Zo kunnen we begrijpen hoe agape ook een aanduiding voor de Eucharistie wordt; daar komt Gods agape lichamelijk tot ons om zijn werk in ons en door ons voort te zetten”. [12] DEEL I EUCHARISTIE, EEN MYSTERIE WAARIN MEN GELOOFT “Dit is het werk dat God van u vraagt: te geloven in Degene, Het eucharistische geloof van de Kerk 6. “Verkondigen wij het mysterie van het geloof!” Met deze oproep direct na de Consecratiewoorden verkondigt de priester het mysterie dat wordt gevierd en geeft hij uiting aan zijn verwondering over de waarachtige verandering van brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Christus – een werkelijkheid die alle menselijke begrip te boven gaat. Inderdaad, de Eucharistie is het “mysterie van het geloof” bij uitstek, “de samenvatting van ons geloof”. [13] Het geloof van de Kerk is wezenlijk een eucharistisch geloof en wordt op bijzondere wijze gevoed door de maaltijd van de Eucharistie. Geloof en sacramenten zijn twee elkaar aanvullende aspecten van het kerkelijk leven. Het geloof, opgewekt door de verkondiging van Gods Woord, voedt zich en groeit in de genadevolle ontmoeting met de Verrezen Heer, die tot stand komt in de sacramenten: “Het geloof komt tot uitdrukking in de ritus en de ritus versterkt en bevestigt het geloof”. [14] Daarom staat het sacrament van het altaar altijd in het middelpunt van het kerkelijk leven: “Dankzij de Eucharistie wordt de Kerk steeds opnieuw geboren!” [15] Hoe levendiger het geloof in de Eucharistie van het godsvolk is, des te intenser is hun deelname aan het kerkelijk leven door een overtuigde ondersteuning van de zending die Christus aan Zijn leerlingen heeft opgedragen. Daarvan getuigt de geschiedenis van de Kerk zelf. Iedere grote hervorming is op de een of andere wijze verbonden met de herontdekking van het geloof in de eucharistische aanwezigheid van de Heer temidden van zijn volk. De Allerheiligste Drie-eenheid en de Eucharistie Het uit de hemel neergedaalde brood 7. De belangrijkste inhoud van het eucharistische geloof is het mysterie van God zelf, die trinitaire liefde is. In het gesprek van Jezus met Nikodemus vinden we hieromtrent een verhelderende uitspraak: “Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat al wie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben. God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden gered” (Joh. 3, 16-17). Deze woorden tonen ons de diepste bron van Gods gave. Jezus schenkt in de Eucharistie niet “iets”, maar zichzelf; Hij geeft zijn Lichaam als offer en vergiet zijn Bloed. Op deze wijze geeft Hij zichzelf met zijn hele bestaan en openbaart Hij de oorspronkelijke bron van deze liefde. Hij is de eeuwige Zoon, die door de Vader voor ons werd overgeleverd. In het evangelie horen we nogmaals de woorden van Jezus met betrekking hiertoe. Na de spijziging van de menigte door de wonderbare vermenigvuldiging van brood en vis, zegt Hij tot zijn gesprekspartners, die Hem tot in de synagoge van Kafarnaüm gevolgd zijn: “Het echte brood uit de hemel wordt u door mijn Vader gegeven; want het brood van God daalt uit de hemel neer en geeft leven aan de wereld” (Joh. 6, 32-33). En Hij gaat zo ver dat Hij zichzelf, zijn vlees en bloed, met dat brood vereenzelvigt: “Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld” (Joh. 6,51). Op deze wijze openbaart Jezus zich als het brood des levens, dat de eeuwige Vader aan de mensen schenkt. Onverdiende gave van de Allerheiligste Drie-eenheid 8. In de Eucharistie openbaart zich het liefdesplan dat de hele heilsgeschiedenis bepaalt (vgl. Ef. 1,10; 3,8-11). Daarin verenigt de Deus Trinitas, die in zichzelf liefde is, zich volledig met ons menselijk lot. In het brood en in de wijn, de gedaanten waaronder Christus zich in het Paasmaal aan ons schenkt (vgl. Luc. 22,14-20; 1 Kor. 11,23-26), komt het gehele goddelijk leven, in de vorm van het sacrament, naar ons toe en deelt zich aan ons mee. God is de volmaakte liefdesgemeenschap tussen de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Reeds bij de schepping krijgt de mens de roeping in zekere mate deel te hebben aan de levensadem van God. (vgl. Gen. 2,7). Maar het is in de gestorven en verrezen Christus en de uitstorting van de heilige Geest, die mateloos geschonken wordt (vgl. Joh. 3,34), dat wij deelachtig worden aan Gods diepste innerlijkheid. [16] Jezus Christus, die “door de eeuwige Geest zichzelf aan God [heeft] geofferd als een smetteloos offer” (Hebr. 9,14) deelt ons dus in de eucharistische gave het eigen goddelijke leven mee. Het gaat hier om een volstrekt onvoorwaardelijke gave, die alleen het gevolg is van Gods beloften, die mateloos vervuld worden. In trouwe gehoorzaamheid aanvaardt, viert en aanbidt de Kerk deze gave. Het “mysterie van het geloof” is een mysterie van de trinitaire liefde, en wij worden door genade geroepen daaraan deel te hebben. Ook wij moeten met Sint Augustinus uitroepen: “Als je de liefde ziet, zie je de Triniteit”. [17] Eucharistie: Jezus, het ware Offerlam Het nieuwe en altijddurende Verbond in het bloed van het Lam 9. De zending waarvoor Jezus tot ons is gekomen, bereikt haar vervulling in het Paasmysterie. Voor Hij “de geest geeft”, zegt Hij, omhoog geheven aan het kruis vanwaar Hij allen tot zich trekt (vgl. Joh. 12,32): “Het is volbracht” (Joh. 19,30). In het mysterie van zijn gehoorzaamheid tot de dood, tot de dood aan het kruis (vgl. Fil. 2,8) werd het nieuwe en altijddurende verbond tot stand gebracht. In zijn gekruisigde lichaam zijn de vrijheid van God en de vrijheid van de mens in een onverbrekelijk, eeuwigdurend verbond definitief samengekomen. Ook de zonde van de mens is door de Zoon van God eens en voor altijd uitgeboet (vgl. Hebr. 7, 27; 1 Joh. 2,2; 4,10). “Zijn dood op het Kruis”, zo heb ik elders reeds benadrukt, “is het hoogtepunt van de manier waarop God zich tegen zichzelf keert, waarbij Hij zichzelf wegschenkt om de mens weer op te richten en hem te redden – liefde in de meest radicale vorm”. [18] In het Paasmysterie is onze bevrijding van het kwaad en van de dood werkelijk realiteit geworden. Bij de instelling van het Altaarsacrament had Jezus zelf gesproken van het “nieuwe, altijddurende Verbond”, dat gesloten is in het door Hem vergoten bloed (vgl. Mt. 26,28; Mc. 14,24; Luc. 22,20). Dit ultieme doel van zijn zending was reeds aan het begin van zijn openbare leven zeer duidelijk. Als namelijk Johannes de Doper aan de oever van de Jordaan Jezus op zich toe ziet komen, roept hij uit: “'Zie, het Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegneemt” (Joh. 1,29). Het is veelzeggend dat juist deze woorden in iedere viering van de Mis terugkeren als de priester uitnodigt tot het ontvangen van de Communie: “Zalig zij die genodigd zijn aan de maaltijd des Heren. Zie het Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld”. Jezus is het ware Paaslam, dat zichzelf vrijwillig voor ons ten offer heeft gebracht en zo het nieuwe en altijddurende verbond heeft verwezenlijkt. De Eucharistie heeft deze radicale nieuwheid in zich, die ons bij iedere viering van de Mis opnieuw wordt aangeboden. [19]. De instelling van de Eucharistie 10. Zo worden wij gebracht tot nadenken over de instelling van de Eucharistie tijdens het Laatste Avondmaal. Dat gebeurde in het kader van een rituele maaltijd als gedachtenisviering van de fundamentele gebeurtenis in de geschiedenis van het volk van Israël: de bevrijding van de slavernij uit Egypte. Deze rituele maaltijd, die verbonden was met het offeren van lammeren (vgl. Ex. 12,1-28.43-51) was een herinnering aan het verleden, maar tegelijk ook een profetisch gedenken, dat wil zeggen de verkondiging van een toekomstige bevrijding. Het volk had namelijk ervaren dat die bevrijding geen definitieve bevrijding was geweest, want hun geschiedenis stond nog te zeer in het teken van slavernij en zonde. Zo leidde de gedachtenis van de oude bevrijding tot de bede om en de verwachting van een diepgaander heil, dat fundamenteel, alomvattend en definitief zou zijn. In deze context voegt Jezus de nieuwheid van zijn gave toe. In de lofprijzing, de Berakah, dankt Hij de Vader niet alleen voor de grote gebeurtenissen van het verleden, maar ook voor zijn eigen “verheerlijking”. Als Hij het sacrament van de Eucharistie instelt, anticipeert Jezus op het kruisoffer en de overwinning van de Verrijzenis en sluit beide bij het sacrament in. Tegelijk openbaart Hij zich als het ware Offerlam, dat vanaf het begin van de wereld was voorzien in het plan van de Vader, zoals de Eerste Petrusbrief benadrukt (vgl. 1,18-20). Als Jezus zijn gave in dit verband plaatst, verkondigt Hij de heilbrengende betekenis van zijn dood en Verrijzenis, van dit mysterie dat leidt tot de vernieuwing van de geschiedenis en de gehele kosmos. De instelling van de Eucharistie laat inderdaad zien hoe de op zich gewelddadige en zinloze dood van Jezus is geworden tot de meest verheven daad van liefde en tot de definitieve bevrijding van de mensheid van het. Figura transit in veritatem 11. Zo voegt Jezus zijn ingrijpende novum in het hart van de oude joodse offermaaltijd in. Die maaltijd hoeft voor ons christenen niet herhaald te worden. Terecht zeggen de Kerkvaders: “figura transit in veritatem“ – de voorafbeelding heeft plaats gemaakt voor de waarheid. De oude ritus is tot vervulling gekomen en is door de gave van de liefde van Gods Zoon voor altijd overtroffen. Het voedsel van de waarheid, de voor ons geofferde Christus, dat…figuris terminum. [20] Met de opdracht: “Doe dit tot mijn gedachtenis” roept Hij ons op te beantwoorden aan zijn gave en deze sacramenteel tegenwoordig te stellen. Met deze woorden geeft de Heer als het ware uiting aan de verwachting dat zijn Kerk, die uit zijn offer voortgekomen is, deze gave aanneemt en onder de leiding van de heilige Geest de liturgische vorm van het sacrament ontwikkelt. De gedachtenisviering van zijn volmaakte gave bestaat immers niet slechts uit de herhaling van het Laatste Avondmaal, doch uit de Eucharistie zelf, dat wil zeggen uit de radicale nieuwheid van de christelijke eredienst. Zo heeft Jezus ons de gave nagelaten binnen te treden in zijn “uur”: “De Eucharistie haalt ons binnen in Jezus’ zelfgave. We ontvangen niet alleen maar statisch de mensgeworden Logos, maar we worden binnengehaald in de dynamiek van zijn zelfgave”.[21] Hij “trekt ons in zichzelf”.[22] De substantiële verandering van brood en wijn in zijn Lichaam en zijn Bloed introduceert in de schepping het principe van een radicale verandering, als een soort “kernsplitsing” – om een ons welbekend beeld te gebruiken – die zich voordoet in het binnenste van het zijn, een verandering die ertoe bestemd is een omvormingsproces in de werkelijkheid in gang te zetten, met als ultieme doel de verheerlijking van de hele wereld tot de toestand waarin God alles in allen zal zijn (vgl. 1 Kor. 15,28). De Heilige Geest en de Eucharistie Jezus en de Heilige Geest 12. Met Zijn woord en met brood en wijn heeft de Heer zelf ons de essentiële elementen van de nieuwe eredienst geschonken. De Kerk, Zijn bruid, is geroepen de eucharistische maaltijd iedere dag te vieren om Hem te gedenken. Zo voegt zij het verlossende offer van haar Bruidegom in de geschiedenis van de mensen in en stelt het in alle culturen sacramenteel tegenwoordig. Dit grote geheim wordt gevierd in de liturgische vormen die de Kerk, geleid door de heilige Geest, in tijd en ruimte ontwikkelt. [23] In dit verband is het nodig dat wij ons bewust worden van de beslissende rol die de heilige Geest speelt bij de ontwikkeling van de liturgische vorm en bij het uitdiepen van de goddelijke mysteries. De Parakleet, de eerste gave aan de gelovigen [24], die reeds bij de schepping aan het werk was (vgl. Gen. 1,2), is volledig aanwezig in het gehele leven van het mensgeworden Woord: Jezus Christus werd immers door toedoen van de heilige Geest door de Maagd Maria ontvangen (vgl. Mt. 1,18; Luc. 1,35); aan het begin van zijn openbare leven ziet Hij Hem aan de oever van de Jordaan in de gedaante van een duif op zich neerdalen (vgl. Mt. 3, 16 en parallelteksten); in diezelfde Geest handelt, spreekt en jubelt Hij (vgl. Luc. 10,21); en in Hem kan Hij zichzelf als offer opdragen (vgl. Hebr. 9, 14). In de door Johannes opgetekende zogenoemde “afscheidsrede” legt Jezus duidelijk verband tussen het offer van zijn leven in het Paasmysterie en de gave van de Geest aan de Zijnen (vgl. Joh. 16,7). Als Verrezene, die de tekenen van zijn lijden in zijn lichaam draagt, kan Hij met zijn adem de Geest schenken (vgl. Joh. 20,22) en zo de Zijnen deelachtig maken aan zijn eigen zending (vgl. Joh. 20,21). De Geest zal de leerlingen alles leren en hen alles in herinnering brengen wat Christus tot hen heeft gezegd (vgl. Joh. 14,26), want als Geest der waarheid (vgl. Joh. 15, 26) komt het Hem toe de leerlingen tot de volle waarheid te brengen (vgl. Joh. 16,13). In de Handelingen der Apostelen wordt verteld dat de Geest met Pinksteren neerdaalt op de apostelen die samen met Maria in gebed bijeen zijn (vgl. 2,1-4) en hen aanvuurt hun opdracht te gaan vervullen om aan alle volkeren te Blijde Boodschap te verkondigen. Het is dus in de kracht van de Geest dat Christus zelf in zijn Kerk aanwezig en werkzaam blijft, vanuit het middelpunt van haar leven, de Eucharistie. De Heilige Geest en de viering van de Eucharistie 13. Tegen deze achtergrond wordt de beslissende rol van de heilige Geest in de Eucharistieviering en in het bijzonder met betrekking tot de transsubstantiatie begrijpelijk. Een dergelijk bewustzijn is bij de Kerkvaders duidelijk aantoonbaar. De heilige Cyrillus van Jeruzalem herinnert er in zijn Catechesen aan dat wij “de barmhartige God aanroepen om zijn heilige Geest te zenden over de offergaven die voor ons liggen, opdat Hij het brood moge veranderen in het Lichaam van Christus en de wijn in het Bloed van Christus. Wat door de heilige Geest is aangeraakt, is geheiligd en volledig veranderd”. [25] Ook de heilige Johannes Chrysostomus wijst erop dat de priester de heilige Geest aanroept als hij het offer viert [26]: zoals Elia, de dienaar van God, zo roept hij de heilige Geest aan – zo zegt Johannes Chrysostomus – opdat “als de genade op het offer neerdaalt, de zielen van allen erdoor ontbranden”. [27] Van het grootste belang voor het geestelijk leven van de gelovigen is een goede kennis van de rijkdom van de anaphora: behalve de door Christus bij het Laatste Avondmaal gesproken woorden omvat deze de epiclese als gebed tot de Vader, dat Hij de gave van de heilige Geest mag zenden opdat brood en wijn mogen worden tot Lichaam en Bloed van Jezus Christus en “de hele gemeenschap steeds meer Lichaam van Christus mag worden”. [28] De Geest, die door de celebrant afgeroepen wordt over de op het altaar geplaatste gaven van brood en wijn, is dezelfde die de gelovigen tot “een lichaam” verenigt en hen tot een geestelijk offer maakt dat de Vader welgevallig is. [29] Eucharistie en Kerk Eucharistie – oorzakelijk grondbeginsel van de Kerk 14. Door het sacrament van de Eucharistie neemt Jezus de gelovigen mee in zijn “uur”; op die manier toont Hij ons de band die Hij tussen zichzelf en ons, tussen zijn Persoon en de Kerk heeft gewild. Inderdaad heeft Christus zelf in het kruisoffer de Kerk voortgebracht als zijn bruid en zijn lichaam. De Kerkvaders hebben uitvoerig nagedacht over de verhouding tussen de oorsprong van Eva uit de zijde van de slapende Adam (vgl. Gen. 2,21-23) en die van de nieuwe Eva, de Kerk, uit de geopende zijde van Christus, die verzonken was in de slaap van de dood: uit de doorboorde zijde – verhaalt Johannes – kwam bloed en water (vgl. Joh. 19,34), een symbool van de sacramenten. [30] Een contemplatieve blik “op Hem … die zij hebben doorstoken” (Joh. 19,37) brengt ons tot nadenken over het oorzakelijke verband tussen het offer van Christus, de Eucharistie en de Kerk. Inderdaad: “De Kerk leeft van de Eucharistie” [31]. Daar in de Eucharistie het verlossende offer van Christus tegenwoordig komt, moet men voor alles erkennen dat er “een oorzakelijke invloed van de Eucharistie … op het ontstaan zelf van de Kerk is” [32]. De Eucharistie is Christus, die zich aan ons schenkt en ons zo voortdurend als zijn Lichaam opbouwt. In de indrukwekkende wisselwerking tussen de Eucharistie, die de Kerk opbouwt, en de Kerk zelf, die de Eucharistie verwezenlijkt [33], staat de Eucharistie aan het begin: de Kerk kan het mysterie van de in de Eucharistie aanwezige Christus juist daarom vieren en aanbidden, omdat Christus zich eerst in het kruisoffer aan haar geschonken heeft. De mogelijkheid van de Kerk om de Eucharistie te “verwezenlijken” vindt haar oorsprong geheel en al in Christus’ zelfgave aan haar. Ook hier ontdekken wij een overtuigend aspect van de formulering van Johannes: “Hij heeft ons het eerst liefgehad” (vgl. 1 Joh. 4,19). Zo erkennen wij ook in iedere viering op de eerste plaats de gave van Christus. De oorzakelijke invloed van de Eucharistie op het ontstaan van de Kerk maakt ten slotte duidelijk dat niet alleen chronologisch maar ook ontologisch zijn liefde, waarmee Hij ons “het eerst heeft liefgehad”, er eerder was. Hij is in eeuwigheid degene die ons het eerst liefheeft. Eucharistie en kerkelijke communio 15. De Eucharistie is dus fundamenteel voor het zijn en handelen van de Kerk. Daarom werd in de christelijke oudheid het Lichaam dat geboren werd uit de Maagd Maria, het eucharistische Lichaam en het kerkelijke Lichaam van Christus met één en hetzelfde begrip aangeduid: Corpus Christi. [34] Dit in de overlevering veelvuldig voorkomende gegeven doet ons beter beseffen dat Christus en zijn Kerk niet te scheiden zijn. Onze Heer Jezus heeft zich als offer voor ons overgeleverd en door zijn gave effectief gewezen op het mysterie van de Kerk. Het is typerend dat het tweede Eucharistisch Gebed in de epiclese na de Consecratie de bede om de eenheid van de Kerk als volgt formuleert: “Zo delen wij in het Lichaam en Bloed van Christus en wij smeken U dat wij door de Heilige Geest worden vergaderd tot één enige kudde”. Deze formulering maakt duidelijk dat de res van het eucharistisch sacrament de eenheid van de gelovigen in de kerkelijke gemeenschap is. Zo toont zich de Eucharistie aan de basis van de Kerk als mysterie van de Communio. [35] Op de relatie tussen Eucharistie en Communio heeft de Dienaar Gods Joannes Paulus II al gewezen in zijn encycliek Ecclesia de Eucharistia. Hij noemde de gedachtenisviering van Christus “de hoogste sacramentele uiting van gemeenschap in de Kerk”. [36] De eenheid van de Kerk toont zich concreet in de christelijke gemeenschappen en hernieuwt zich in de eucharistische handeling, die ze verenigt en in particuliere kerken onderscheidt, “in quibus et ex quibus una et unica Ecclesia catholica exsistit”. [37] Juist de realiteit van de ene Eucharistie, die in ieder bisdom rond de eigen bisschop wordt gevierd, doet ons begrijpen dat de particuliere kerken zelf in en ex Ecclesia bestaan. “De uniciteit en ondeelbaarheid van het eucharistisch Lichaam des Heren sluit de uniciteit in van zijn mystieke Lichaam, de ene en ondeelbare Kerk. Uit het Eucharistisch middelpunt volgt de noodzakelijke openheid van iedere vierende gemeenschap, iedere particuliere kerk: aangetrokken door de open armen van de Heer, wordt zij ingelijfd in zijn unieke en ondeelbare Lichaam”. [38] Daarom bevindt bij de Eucharistieviering iedere gelovige zich in zijn kerk, dat wil zeggen in de Kerk van Christus. Uit dit eucharistisch perspectief, indien goed begrepen, volgt de kerkelijke Communio als een van nature katholieke werkelijkheid. [39] Het benadrukken van deze eucharistische basis van de kerkelijke gemeenschap kan ook een effectieve bijdrage vormen voor oecumenische dialoog met de kerken en kerkelijke gemeenschappen die geen volledige gemeenschap met de Stoel van Petrus hebben. De Eucharistie schept namelijk objectief een sterke band van eenheid tussen de katholieke Kerken en de orthodoxe Kerken, die het onvervalste en volledige wezen van de Eucharistie hebben bewaard. Tegelijk kan de nadruk op het kerkelijke karakter van de Eucharistie een gunstig element worden in de dialoog met de gemeenschappen uit de Reformatie. [40] Eucharistie en Sacramenten De sacramentaliteit van de Kerk 16. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft in herinnering geroepen dat “de overige sacramenten, evenals alle kerkelijke bedieningen en apostolaatswerken, samenhangen met de heilige Eucharistie en daarop gericht staan. Want in de heilige Eucharistie ligt heel het geestelijk goed van de Kerk vervat, namelijk Christus zelf, ons Paaslam en het levend brood dat het door zijn Vlees in de Heilige Geest tot leven gebrachte en tot leven wekkende leven schenkt aan de mensen. Dezen worden aldus uitgenodigd en ertoe gebracht om zichzelf, hun arbeid en al het geschapene samen met Hem op te dragen”. [41] Deze innige band van de Eucharistie met alle andere sacramenten en met het christelijk leven wordt ten diepste begrepen als men het mysterie van de Kerk zelf als sacrament beschouwt. [42] Het Concilie heeft in dit verband bevestigd: “In Christus is de Kerk als het ware het sacrament, dat wil zeggen het teken en het instrument, van de innige vereniging met God en van de eenheid van heel het menselijk geslacht”. [43] Als het “door de eenheid van de Vader, de Zoon en de heilige Geest [44] verenigde volk” – zoals de heilige Cyprianus zegt – is zij het sacrament van de trinitaire Communio. Het feit dat de Kerk het “universele sacrament van het heil” [45] is, toont hoe de sacramentele “economie’ uiteindelijk bepaalt op welke wijze Christus, de enige Redder, door de Geest ons leven bereikt, tot in alle bijzondere omstandigheden toe. De Kerk ontvangt en drukt zich tegelijk uit in de zeven sacramenten, waardoor de genade van God concreet inwerkt op het leven van de gelovigen, zodat het hele, door Christus verloste leven een godgevallige eredienst wordt. Vanuit dit perspectief wil ik graag de aandacht vestigen op enkele door de synodevaders naar voren gebrachte elementen, die ons zouden kunnen helpen de verhouding van alle sacramenten tot het eucharistisch mysterie te begrijpen. I. Eucharistie en christelijke initiatie Eucharistie, volheid van de christelijke initiatie 17. Als de Eucharistie werkelijk bron en hoogtepunt van het leven en de zending van de Kerk is, volgt daar op de eerste plaats uit dat de weg van de christelijke initiatie erop gericht is toegang te verschaffen tot dit sacrament. Wij moeten ons, zoals de synodevaders zeiden, in dit verband afvragen of in onze christelijke gemeenten de nauwe band tussen Doopsel, Vormsel en Eucharistie voldoende wordt erkend. [46] Men mag namelijk nooit vergeten dat wij met het oog op de Eucharistie gedoopt en gevormd zijn. Dat brengt de verplichting met zich mee in de pastorale praktijk begrip te bevorderen voor de eenheid van het proces van christelijke initiatie. Het sacrament van het Doopsel, waardoor wij aan Christus gelijkvormig worden [47], opgenomen in de Kerk en kinderen van God, is de toegangsdeur tot alle sacramenten. Daardoor worden wij in het ene Lichaam van Christus (vgl. 1 Kor. 12,13), in het priesterlijk volk, ingelijfd. Toch is het de deelname aan het eucharistisch Offer dat in ons tot voltooiing brengt wat ons in het Doopsel is geschonken. Ook de gaven van de Geest worden geschonken voor de opbouw van het Lichaam van Christus (vgl. 1 Kor. 12) en tot groter evangelisch getuigenis in de wereld. [48] Daarom brengt de Allerheiligste Eucharistie de Christelijke initiatie tot vervulling en vormt het middelpunt en het doel van het totale sacramentele leven. [49] De volgorde van de initiatiesacramenten 18. In dit verband is het nodig aandacht te besteden aan het thema van de volgorde van de initiatiesacramenten. Op dit punt bestaan er in de Kerk verschillende tradities. Deze verscheidenheid treedt aan de dag in de kerkelijke gebruiken van het oosten [50] en zelfs in de westerse praktijk wat betreft de initiatie van volwassenen [51] in vergelijking met die van kinderen [52]. Zulke verschillen hebben echter geen dogmatische betekenis, doch zijn pastoraal van aard. Concreet moet duidelijk worden welke praktijk de gelovige het best kan helpen de Eucharistie in het middelpunt te stellen, als de werkelijkheid waarop de gehele initiatie is gericht. De bisschoppenconferenties zouden in nauwe samenwerking met de verantwoordelijke dicasteriën van de Romeinse Curie de doeltreffendheid van de huidige benaderingen van de initiatie moeten onderzoeken, opdat de gelovige door de vorming in onze parochies geholpen wordt, in een steeds voortschrijdend rijpingsproces, te geraken tot een authentieke eucharistische levensinstelling, om zo in staat te zijn op een in onze tijd passende wijze verantwoording af te leggen aan iedereen die rekenschap vraagt van de hoop die in ons leeft (vgl. 1 Petr. 3,15) Initiatie, kerkelijke gemeenschap en gezin 19. Men moet steeds indachtig zijn dat de gehele christelijke initiatie een weg van bekering is, die zich met de hulp van God en steeds in relatie met de kerkelijke gemeenschap moet voltrekken. Dit geldt als volwassenen om opname in de Kerk vragen, zoals dat gebeurt in missiegebieden maar ook in vele geseculariseerde streken, en als ouders om de sacramenten voor hun kinderen vragen. In dit verband wil ik vooral wijzen op de verhouding tussen de christelijke initiatie en het gezin. In de pastoraal moet men het christelijk gezin altijd betrekken bij de weg van de initiatie. Het ontvangen van het Doopsel, het Vormsel en de eerste Heilige Communie zijn beslissende momenten, niet alleen voor degene die het sacrament ontvangt, maar ook voor het hele gezin, dat bij de taak van de opvoeding door de kerkelijke gemeenschap op alle verschillende niveaus moet worden ondersteund. [53] Hier zou ik het belang van de eerste Communie willen benadrukken. Veel gelovigen blijft deze dag terecht bij als het eerste moment waarop zij, hoe aarzelend ook, de betekenis van de persoonlijke ontmoeting met Jezus hebben bespeurd. De zielzorg in de parochie moet van deze zo belangrijke gelegenheid op passende wijze gebruik maken. II. Eucharistie en het sacrament van boete en verzoening De diepe relatie tussen de twee 20. Terecht hebben de synodevaders verklaard dat de liefde tot de Eucharistie leidt tot een groeiende waardering voor het sacrament van boete en verzoening. [54] Op grond van de relatie tussen deze sacramenten kan een authentieke catechese over de betekenis van de Eucharistie niet losgekoppeld worden van de opwekking de weg van de boete te gaan (vgl. 1 Kor. 11,27-29). Zeker, we kunnen vaststellen dat de gelovigen in onze tijd zijn ondergedompeld in een cultuur die erop gericht is het zondebesef te doen verdwijnen [55], een cultuur die een oppervlakkige houding bevordert, die de noodzaak in staat van genade te verkeren om de Communie waardig te kunnen ontvangen doet vergeten. [56] Het verlies van het zondebewustzijn brengt ook altijd een zekere oppervlakkigheid in het ervaren van Gods liefde met zich mee. Het kan voor de gelovigen van groot nut zijn zich de elementen voor de geest te halen die tijdens de ritus van de heilige Mis het besef van de eigen zonde en tegelijkertijd de barmhartigheid van God ondubbelzinnig tot uitdrukking brengen. [57] Daarnaast herinnert de relatie tussen Eucharistie en verzoening ons eraan dat de zonde nooit een uitsluitend individuele aangelegenheid is. De zonde brengt ook altijd een verwonding in de kerkelijke gemeenschap met zich mee, waarin wij door het Doopsel ingelijfd zijn. Daarom is de verzoening, zoals de Kerkvaders zeiden, laboriosus quidam baptismus [58], waarmee ze onderstreepten dat het resultaat van de weg van de bekering ook het herstel van de volledige kerkelijke gemeenschap is, die tot uitdrukking komt in het opnieuw ontvangen van de Eucharistie. [59] Enkele pastorale aanwijzingen 21. De synode heeft eraan herinnerd dat het de pastorale opdracht van de bisschop is in zijn bisdom vastberaden werk te maken van catechese die leidt tot bekering op grond van de Eucharistie, en onder de gelovigen de veelvuldige biecht te bevorderen. Alle priesters moeten zich grootmoedig, met toewijding en kunde wijden aan het sacrament van boete en verzoening. [60] In dit verband moet er ook op gelet worden dat de biechtstoelen in onze kerken goed zichtbaar zijn en de betekenis van dit sacrament tot uitdrukking brengen. Ik vraag de herders zorgvuldig toe te zien op de bediening van het sacrament van boete en verzoening en de praktijk van de algemene absolutie uitsluitend te beperken tot de gevallen waarin die uitdrukkelijk is toegestaan [61], daar alleen de persoonlijke biecht de reglementaire vorm is. [62] Gegeven de noodzaak de sacramentele vergeving opnieuw te ontdekken, moet er in ieder bisdom altijd een penitentiaris zijn. [63] Ten slotte kan een evenwichtige en verdiepte praktijk van het voor zichzelf of voor overledenen verdienen van een aflaat een waardevol hulpmiddel zijn voor een hernieuwd besef van de relatie tussen Eucharistie en verzoening. Met een aflaat verkrijgt men “van God kwijtschelding van tijdelijke straf voor zonden die – wat de schuld betreft – al vergeven zijn”. [64] Het gebruik maken van aflaten helpt ons te begrijpen dat wij, als wij alleen op onze eigen krachten waren aangewezen, nooit in staat zouden zijn het begane kwaad weer goed te maken en dat de zonden van ieder afzonderlijk de hele gemeenschap schade toebrengen. Omdat de praktijk van de aflaten, behalve de leer van de oneindige verdiensten van Christus, ook de verdiensten van de gemeenschap van de heiligen insluit, verduidelijkt die ons bovendien “hoe nauw wij in Christus met elkaar verenigd zijn en hoe zeer het bovennatuurlijke leven van ieder individu van nut kan zijn voor de ander”. [65] Daar de voorwaarden om een aflaat te verkrijgen ondermeer inhouden dat men het boetesacrament en de Communie ontvangt, kan deze praktijk de gelovigen effectief ondersteunen op de weg van de bekering en bij de ontdekking van de centrale positie van de Eucharistie in het christelijk leven. III. Eucharistie en ziekenzalving 22. Jezus heeft zijn leerlingen niet alleen uitgezonden om de zieken te genezen (vgl. Mt. 10,8; Luc. 9,2; 10,9), maar Hij stelde voor hen ook een specifiek sacrament in: de ziekenzalving. [66] De brief van Jakobus getuigt ervan dat deze sacramentele handeling reeds in de jongste christengemeenschappen aanwezig was (vgl. 5, 14-16). Als de Eucharistie aantoont hoe het lijden en de dood van Christus in liefde worden veranderd, dan verenigt de ziekenzalving de lijdende mens met de zelfgave van Christus tot heil van allen, zodat ook hij, in het mysterie van de gemeenschap van de heiligen, deel kan hebben aan de verlossing van de wereld. De band tussen deze twee sacramenten wordt vooral duidelijk als de ziekte verergert: “De Kerk biedt de stervende naast de ziekenzalving de Eucharistie als viaticum aan”. [67] Op de thuisreis naar de Vader wordt de Communie met het Lichaam en Bloed van Christus tot het zaad van het eeuwig leven en de kracht tot opstanding: “Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag” (Joh. 6,54). Daar het viaticum de zieke een glimp geeft van de volheid van het Paasmysterie, moet de toediening ervan gegarandeerd worden. [68]) De toewijding en pastorale zorg betoond aan de zieken, brengen zeker geestelijk profijt voor de hele gemeenschap met zich mee. Zoals bekend hebben wij alles wat wij voor de geringsten hebben gedaan, voor Jezus zelf gedaan (vgl. Mt. 25,40). IV. Eucharistie en priesterwijding In persona Christi capitis 23. De innerlijke band tussen Eucharistie en priesterwijding komt duidelijk naar voren uit Jezus’ eigen woorden in de zaal van het Laatste Avondmaal: “Doe dit tot een gedachtenis aan Mij” (Luc. 22,19). Jezus heeft op de avond voor zijn dood de Eucharistie ingesteld en tegelijk het priesterschap van het Nieuwe Verbond gevestigd. Hij is priester, offerlam en altaar: middelaar tussen God de Vader en het volk (vgl. Hebr. 5,5-10), zoenoffer (vgl. 1 Joh. 2,2; 4,10), dat zichzelf ten offer brengt op het altaar van het kruis. Niemand kan zeggen: “Dit is mijn Lichaam” en “Dit is de kelk van het Nieuwe Verbond, mijn Bloed …”, behalve in de Naam en in de Persoon van Christus, de enige hogepriester van het nieuwe en altijddurende Verbond (vgl. Hebr. 8-9). De bisschoppensynode heeft reeds in andere vergaderingen het thema van het ambtelijk priesterschap behandeld, zowel met betrekking tot de identiteit van het dienstambt [69] als met betrekking tot de vorming van de kandidaten [70]. Bij deze gelegenheid, in het licht van de discussie die heeft plaats gevonden in de laatste synodevergadering, voel ik mij geroepen enkele belangrijke punten in herinnering te brengen wat betreft de verhouding tussen het sacrament van de Eucharistie en de priesterwijding. Op de eerste plaats is het noodzakelijk te bevestigen dat de band tussen de priesterwijding en de Eucharistie het duidelijkst zichtbaar wordt in de viering van de Mis, waarbij de bisschop of de priester in de Persoon van Christus als hoofd presideert . Volgens de leer van de Kerk is de priesterwijding de absoluut noodzakelijke voorwaarde voor de geldige viering van de Eucharistie. [71] Want “in het kerkelijk dienstwerk van de gewijde bedienaar is Christus zelf bij zijn Kerk, als hoofd van zijn Lichaam, herder van zijn kudde, hogepriester van het verlossend offer”. [72] Natuurlijk “handelt de priester tevens in naam van heel de Kerk, wanneer hij God het gebed van de Kerk aanbiedt en vooral wanneer hij het Eucharistisch offer opdraagt”. [73] Daarom moeten priesters zich ervan bewust zijn dat zij in hun dienstwerk nooit zichzelf of hun persoonlijke mening in het middelpunt mogen plaatsen, doch alleen Jezus Christus. Iedere poging zichzelf tot de centrale figuur van de liturgische handeling te maken is in tegenspraak met het wezen van het priesterschap. De priester is in eerste instantie dienaar en moet zich voortdurend inspannen een teken te zijn dat als gewillig werktuig in de handen van Christus naar Hem verwijst. Dat komt in het bijzonder tot uitdrukking in de deemoed waarmee hij in trouwe navolging van de ritus leiding geeft aan de liturgische handeling, deze geheel volgt met hart en geest en alles vermijdt wat de indruk zou kunnen wekken van een misplaatste geldingsdrang. Daarom beveel ik de clerus aan zich steeds meer bewust te maken van het feit dat de eigen Eucharistische dienst een deemoedige dienst voor Christus en voor zijn Kerk is. Het priesterschap is – zoals de heilige Augustinus zegt – amoris officium, [74], het is de dienst van de goede Herder, die zijn leven geeft voor zijn schapen (vgl. Joh. 10,14-15). Eucharistie en priesterlijk celibaat 24. De synodevaders hebben benadrukt dat het ambtelijk priesterschap door de wijding een volkomen gelijkvormigheid met Christus vereist. Met alle eerbied voor de afwijkende praktijk en traditie van de oosterse Kerken is het toch noodzakelijk opnieuw de diepe zin te bevestigen van het priesterlijk celibaat, dat terecht wordt beschouwd als een rijkdom van niet te schatten waarde; dat wordt in de oosterse Kerk gestaafd door het feit dat de bisschoppen alleen gekozen worden uit de celibatair levende priesters en het door vele priesters vrijwillig gekozen celibaat in hoog aanzien staat. In deze keuze van de priester komen namelijk op geheel eigen wijze tot uitdrukking zijn overgave, die hem gelijkvormig maakt aan Christus, en zijn zelfopoffering uitsluitend omwille van het Rijk Gods. [75] Het feit dat Christus, de eeuwige hogepriester, zelf zijn zending tot aan het kruisoffer heeft volbracht in staat van maagdelijkheid, biedt het zekere houvast om de betekenis van de traditie van de Latijnse Kerk in deze kwestie te beseffen. Daarom is het niet genoeg het priesterlijk celibaat te begrijpen vanuit een puur functioneel gezichtspunt. Het celibaat is in werkelijkheid een bijzondere manier om Christus zelf in zijn levensstijl na te volgen. Een zodanige keuze heeft bovenal het karakter van een bruiloft; het is een vereenzelviging met het hart van Christus als Bruidegom, die zijn leven geeft voor de bruid. In lijn met de grote kerkelijke traditie, met het Tweede Vaticaans Concilie [76] en met mijn voorgangers in het Petrusambt [77] bevestig ik opnieuw de schoonheid en de betekenis van een in celibaat beleefd priesterleven als veelzeggend teken van de totale en exclusieve overgave aan Christus, aan de Kerk en aan het Rijk Gods en ik bekrachtig derhalve het verplichte karakter ervan voor de Latijnse traditie. Het in rijpheid, vreugde en overgave beleefde priesterlijke celibaat is een zeer grote zegen voor de Kerk en voor de samenleving zelf. Priestertekort en roepingenpastoraal 25. Gegeven de band tussen wijding en Eucharistie is de synode nader ingegaan op de verlegenheid waarin sommige bisdommen geraken als het erom gaat een oplossing te vinden voor het priestertekort. Dat is niet alleen het geval in sommige missiegebieden maar ook in veel landen met een lange christelijke traditie. Voor een oplossing van het probleem is een rechtmatige verdeling van de clerus zeker van groot nut. Er moet gewerkt worden aan een grondige bewustmaking op dit punt. De bisschoppen moeten de instituten van godgewijd leven en de nieuwe kerkelijke bewegingen, rekening houdend met ieders eigen charisma, betrekken bij de pastorale behoefte en alle leden van de clerus aansporen tot een grotere bereidheid de Kerk te dienen waar het nodig is, ook als dat offers vraagt. [78] Ook werd er in de synode gesproken over pastorale maatregelen die genomen moeten worden om vooral bij jongeren de innerlijke openheid ten opzichte van priesterroeping te bevorderen. Deze situatie kan niet alleen door middel van enkel pragmatische kunstgrepen worden opgelost. Vermeden moet worden dat bisschoppen onder druk van heel begrijpelijke, reële zorgen wat betreft het priestergebrek, onvoldoende nagaan of er sprake is van een echte roeping en kandidaten die niet beschikken over de noodzakelijke eigenschappen voor het priesterlijk dienstwerk toelaten tot de priesteropleiding en de wijding. [79] Een slecht opgeleide clerus, zonder de noodzakelijke toetsing toegelaten tot de wijding, kan nauwelijks het getuigenis geven dat in anderen de wens kan wekken edelmoedig in te gaan op de roepstem van Christus. Het roepingenpastoraat moet werkelijk de gehele christengemeenschap in alle sectoren bij zijn werk betrekken. [80] Onderdeel van dit alomvattende pastorale werk is natuurlijk ook het ontvankelijk maken van de gezinnen, die dikwijls onverschillig, zoniet zelfs afwijzend, tegenover een priesterroeping staan. Zij moeten zich edelmoedig openstellen voor het geschenk van het leven en de kinderen opvoeden tot beschikbaarheid wat betreft de wil van God. Kort gezegd: vóór alles is de moed nodig jongeren vertrouwd te maken met de radicaliteit van de navolging van Christus, door hen de aantrekkingskracht daarvan te tonen. Dankbaarheid en hoop 26. Ten slotte is het nodig met meer geloof en hoop te vertrouwen op Gods initiatief. Ook als er in sommige gebieden sprake is van priestertekort, mag men nooit het vaste vertrouwen verliezen dat Christus steeds weer mannen zal inspireren om alles achter te laten en zich volledig te wijden aan het vieren van de heilige mysteries, de prediking van het evangelie en de pastorale dienst. Bij deze gelegenheid wil ik de dankbaarheid van de hele Kerk uitspreken ten opzichte van alle bisschoppen en priesters die hun zending met trouwe overgave en volledig engagement vervullen. Natuurlijk geldt de dank van de Kerk ook de diakens “aan wie de handen worden opgelegd niet voor het priesterschap, maar voor het dienstbetoon”. [81] Op aanbeveling van de synodevergadering richt ik een speciaal woord van dank tot de Fidei-donum priesters, die in dienst van de zending van de Kerk deskundig en met edelmoedige overgave de gemeenschap opbouwen, door het Woord van God te verkondigen en het brood des levens te breken, zonder hun krachten te sparen. [82] Men moet God danken voor de vele priesters die hebben moeten lijden, tot aan het offer van hun eigen leven toe, om Christus te dienen. In hen openbaart zich daadwerkelijk wat het betekent geheel en al priester te zijn. Het gaat om aangrijpende getuigenissen die veel jonge mensen zouden kunnen inspireren eveneens Christus na te volgen, hun leven voor anderen te geven en juist zo het ware leven te vinden. V. Eucharistie en huwelijk De Eucharistie, een bruidssacrament 27. De Eucharistie, het sacrament van de liefde, heeft een bijzondere relatie met de liefde tussen man en vrouw, die in het huwelijk verenigd zijn. Het is juist in onze tijd noodzakelijk het verstaan van deze band te verdiepen [83] Paus Joannes Paulus II heeft meermaals gesproken over het bruidskarakter van de Eucharistie en de speciale relatie van de Eucharistie met het sacrament van het huwelijk: “De Eucharistie is het sacrament van onze verlossing. Het is het sacrament van de Bruidegom, van de Bruid” [84] Overigens “draagt heel het christelijk leven het merkteken van de huwelijksliefde tussen Christus en de Kerk. Reeds het Doopsel, intrede in het Volk van God, is een bruidsmysterie: het is als het ware het waterbad voor het huwelijk dat aan het bruiloftsmaal, de Eucharistie, voorafgaat” [85] De Eucharistie versterkt op onuitputtelijke wijze de onontbindbare eenheid en liefde van ieder christelijk huwelijk. Door de kracht van het sacrament is de huwelijksband innerlijk verbonden met de Eucharistische eenheid tussen de Bruidegom Christus en zijn bruid, de Kerk (vgl. Ef. 5, 31-32). De wederzijdse instemming die bruidegom en bruid in Christus uitspreken en waarop hun levens- en liefdesgemeenschap gegrondvest is, heeft eveneens een eucharistische dimensie. In de theologie van St. Paulus is de echtelijke liefde inderdaad een sacramenteel teken van de liefde van Christus voor zijn Kerk – een liefde die haar hoogtepunt bereikt aan het kruis, de uitdrukking van zijn “bruiloft” met de mensheid en tegelijkertijd oorsprong en middelpunt van de Eucharistie. Daarom is de Kerk allen die hun gezin hebben gegrondvest op het sacrament van het huwelijk op bijzondere wijze geestelijk nabij. [86] Het gezin – de huiskerk [87] – is een zeer belangrijk domein van het kerkelijk leven, in het bijzonder vanwege de beslissende rol met betrekking tot de christelijke opvoeding van de kinderen. [88] In dit verband heeft de synode ook aanbevolen de unieke opgave van de vrouw in het gezin en in de samenleving te erkennen – een opgave die verdedigd, bewaard en bevorderd moet worden. [89] Het leven van echtgenote en moeder is een absoluut noodzakelijke realiteit, die nooit afgewezen mag worden. Eucharistie en de uniciteit van het huwelijk 28. Juist in het licht van deze innerlijke verbondenheid tussen het huwelijk, het gezin en de Eucharistie kunnen we enkele pastorale problemen bezien. De trouwe, onontbindbare en exclusieve band die Christus en de Kerk met elkaar verbindt en die sacramenteel wordt uigedrukt in de Eucharistie, beantwoordt aan het oorspronkelijke antropologisch gegeven dat de man zich definitief moet binden aan één vrouw en omgekeerd (vgl. Gen. 2,24; Mt. 19,5). Met dit gegeven voor ogen heeft de synode zich bezig gehouden met het thema van de pastorale praktijk ten gunste van mensen die stammen uit culturen waar polygamie wordt gepraktiseerd en aan wie dan het evangelie wordt verkondigd. Zulke mensen moeten, als zij zich openstellen voor het christelijk geloof, geholpen worden hun menselijke voornemen in de radicale nieuwheid van Christus te integreren. Tijdens het catechumenaat komt Christus hen in hun bijzondere situatie tegemoet en roept hen, met het oog op volkomen kerkelijke gemeenschap, langs de weg van het noodzakelijke afstand doen tot de volle waarheid van de liefde. De Kerk begeleidt hen met liefdevolle en milde doch tegelijkertijd vastberaden zielzorg [90], bovenal door hen erop te wijzen in welk licht de christelijke mysteries de menselijke natuur en de menselijke gevoelens laat stralen. Eucharistie en onontbindbaarheid van het huwelijk 29. Als de Eucharistie de uitdrukking is van de onherroepelijkheid van Gods liefde in Christus voor zijn Kerk, wordt begrijpelijk waarom deze met betrekking tot het sacrament van het huwelijk de onontbindbaarheid insluit waar iedere liefde onverbiddelijk naar hunkert. [91] Daarom is het meer dan gerechtvaardigd dat de synode pastorale aandacht heeft gewijd aan de smartelijke situatie waarin niet weinig gelovigen zich bevinden, die na een sacramenteel huwelijk zijn gescheiden en een nieuwe verbintenis zijn aangegaan. Het gaat hier om een netelig en gecompliceerd pastoraal probleem, een ware plaag van de huidige samenleving, die in toenemende mate ook overslaat naar katholieke kringen. De herders zijn uit liefde tot de waarheid verplicht zorgvuldig onderscheid te maken tussen de verschillende situaties, om de betrokken gelovigen op passende wijze geestelijk te helpen. [92] De bisschoppensynode heeft de op de heilige Schrift (vgl. Mc. 10,2-12) gebaseerde praktijk van de Kerk om gescheiden mensen die hertrouwd zijn niet toe te laten tot de sacramenten bevestigd, omdat hun levensstaat objectief in tegenspraak is met de liefdevolle eenheid tussen Christus en zijn Kerk, die in de Eucharistie betekend en verwezenlijkt wordt. Mensen die gescheiden en hertrouwd zijn blijven echter ondanks hun situatie tot de Kerk behoren, die hen niet loslaat en speciale aandacht voor hen heeft, met de wens dat zij zo veel mogelijk een christelijk leven leiden, door deelname aan de heilige Mis, echter zonder de Communie te ontvangen, vertrouwvolle gesprekken met een priester of een geestelijk leidsman, met toewijding beoefende naastenliefde, werken van boetvaardigheid en inzet voor de opvoeding van de kinderen. Waar gerechtvaardigde twijfel bestaat aangaande de geldigheid van het sacramenteel gesloten huwelijk, moet het noodzakelijke ondernomen worden om de zaak te onderzoeken. Bovendien is het noodzakelijk, met volledige inachtneming van het canoniek recht [93], de beschikbaarheid van kerkelijke rechtbanken in het betreffende gebied, hun pastorale karakter alsook de correcte en snelle afhandeling van zaken te garanderen. [94] Voor een vlotte werkwijze van de kerkelijke rechtbanken heeft ieder bisdom behoefte aan een voldoende aantal personen met de passende opleiding. Ik roep in herinnering dat het “een nadrukkelijke plicht is de institutionele activiteit van de Kerk in de rechtbanken steeds dichter bij de gelovigen te brengen”. [95] Absoluut moet echter worden vermeden dat de pastorale zorg ten onrechte wordt gezien als tegengesteld aan het recht. Er moet veel eerder uitgegaan worden van de premisse dat het fundamentele raakpunt tussen recht en pastoraal de liefde tot de waarheid is: de waarheid is namelijk nooit abstract, doch zij “voegt zich in de menselijke en christelijke weg van iedere gelovige in”. [96] Waar uiteindelijk het huwelijk niet nietig wordt verklaard en er objectieve omstandigheden zijn waardoor er geen einde gemaakt kan worden aan het samenleven, moedigt de Kerk de betrokken gelovigen aan hun verhouding in overeenstemming met Gods gebod te beleven als vrienden, als broer en zus. Dan kunnen zij – met inachtneming van de gevestigde kerkelijke praktijk – weer deelnemen aan de eucharistische maaltijd. Wil een dergelijke weg mogelijk en vruchtbaar zijn, dan moet die door de hulp van zielzorgers en door passende kerkelijke initiatieven ondersteund worden, waarbij in ieder geval vermeden moet worden dat deze verbintenissen worden gezegend, opdat de gelovigen niet in verwarring raken wat betreft de waarde van het huwelijk. [97] Gegeven de complexiteit van de culturele context waarmee de Kerk in veel landen wordt geconfronteerd, heeft de synode bovendien aanbevolen bij de voorbereiding van bruidsparen en bij het voorafgaande onderzoek naar hun opvattingen over de voor de geldigheid van het huwelijkssacrament essentiële verplichtingen, de grootst mogelijke pastorale zorgvuldigheid in acht te nemen. Door een serieuze opheldering op dit punt kan worden voorkomen dat impulsieve beslissingen of oppervlakkige redenen jonge mensen ertoe brengen verantwoordelijkheden op zich te nemen waaraan ze later niet kunnen voldoen. [98] Het goede dat de Kerk en de hele samenleving verwachten van het huwelijk en van het daarop gegrondveste gezin is zo groot dat de pastorale inspanning hier wel tot het uiterste moet gaan. Huwelijk en gezin zijn instellingen die bevorderd en tegen ieder misverstand aangaande hun fundamentele waarde verdedigd moeten worden, want iedere schade die eraan wordt toegebracht betekent letsel voor de hele menselijke samenleving. Eucharistie en eschatologie Eucharistie: gave voor de mens onderweg 30. Als het waar is dat de sacramenten een realiteit zijn die toebehoort aan de Kerk, die in de tijd pelgrimeert [99] en die de volledige openbaring van de overwinning van de verrezen Christus tegemoet gaat, dan is het ook waar dat ze ons – en in het bijzonder de eucharistische liturgie – een voorsmaak verleent van de eschatologische vervulling waarnaar iedere mens en de gehele schepping onderweg is (vgl. Rom. 8, 19 ev.) De mens is geschapen voor het waarachtige en eeuwige geluk dat alleen de liefde van God kan schenken. Maar onze gewonde vrijheid zou de verkeerde weg opgaan als het niet mogelijk zou zijn nu al iets van de toekomstige vervulling te ervaren. Overigens moet iedere mens, om in de goede richting te kunnen gaan, op het einddoel worden gericht. Dat einddoel is werkelijk Christus de Heer zelf, de overwinnaar op zonde en dood, die voor ons op bijzondere wijze aanwezig komt in de Eucharistieviering. Zo hebben wij, ofschoon nog “vreemdelingen en ballingen” (1 Petr. 2,11) in deze wereld, in het geloof reeds deel aan de volheid van het verrezen leven. De eucharistische maaltijd komt, door het openbaren van zijn sterk eschatologische dimensie, onze vrijheid, die nog onderweg is, te hulp. De eschatologische maaltijd 31. Als wij over dit geheim nadenken, kunnen we zeggen dat Jezus met zijn komst tegemoet gekomen is aan de verwachting die in het volk van Israël, in de gehele mensheid en eigenlijk zelfs in de schepping aanwezig is. Met zijn zelfgave heeft Hij objectief het eschatologische tijdperk ingeluid. Christus is gekomen om de verstrooide kinderen van God samen te brengen (vgl. Joh. 11,52) en heeft duidelijk gemaakt dat het zijn bedoeling was de gemeenschap van het Verbond te verzamelen om de beloften van God aan de vaderen te vervullen (vgl. Jer. 23,3; 31,10; Luc. 1,55.70). In de roeping van de Twaalf – een verwijzing naar de twaalf stammen van Israël – en in de opgave zijn gedachtenis te vieren, hun bij het Laatste Avondmaal voor zijn verlossend lijden toevertrouwd, heeft Jezus getoond dat Hij de opdracht om in de geschiedenis teken en werktuig te zijn van de in Hem begonnen eschatologische verzameling, aan de gehele door Hem gestichte gemeenschap wilde overdragen. Daarom verwezenlijkt zich, op sacramentele wijze, in iedere Eucharistieviering de eschatologische samenkomst van het Godsvolk. De eucharistische maaltijd is voor ons werkelijk een vooruitlopende deelname aan het definitieve feestmaal, dat door de profeten is aangekondigd (vgl. Jes. 25, 6-9) en in het Nieuwe Testament beschreven wordt als het “Bruiloftsmaal van het Lam” (vgl. Apok. 19, 7-9), te vieren in de vreugde van de gemeenschap der heiligen. [100] Het gebed voor de overledenen 32. De Eucharistieviering, waarin wij de dood des Heren verkondigen en, tot Hij wederkeert, belijden dat Hij verrezen is, is een onderpand van de toekomstige heerlijkheid, waarin ook ons lichaam verheerlijkt zal zijn. Het vieren van de gedachtenis van ons heil versterkt in ons de hoop op de verrijzenis van het lichaam en op de mogelijkheid degenen die ons zijn voorgegaan, getekend met het geloof, weer van aangezicht tot aangezicht te ontmoeten. In deze context wil ik, samen met de synodevaders, alle gelovigen herinneren aan het belang van gebed en in het bijzonder het opdragen van het Misoffer voor de doden, opdat zij gelouterd tot de gelukzalige aanschouwing van God kunnen komen. [101] Als wij de eschatologische dimensie herontdekken die inherent is aan de gevierde en aanbeden Eucharistie, worden wij op onze weg gesteund en getroost in de hoop op de heerlijkheid (vgl. Rom. 5,2; Tit. 2,13). De Eucharistie en de Maagd Maria 33. Uit de verhouding tussen de Eucharistie en de afzonderlijke sacramenten en uit de eschatologische betekenis van de mysteries komt het profiel van het christelijk bestaan in zijn geheel naar voren – een bestaan dat geroepen is te allen tijde dienst aan God te zijn, een offer van zelfgave dat God welgevallig is. En ook al zijn wij allen nog onderweg naar de volledige vervulling van onze hoop, dat betekent niet dat wij niet nu al dankbaar kunnen erkennen dat alles wat God ons geschonken heeft in de Maagd Maria, de Moeder van God en onze Moeder, al volkomen verwerkelijkt is: haar opneming in de hemel met lichaam en ziel is voor ons een teken van vaste hoop, want het toont ons op onze pelgrimstocht door de tijd het eschatologische doel, waarvan het sacrament van de Eucharistie ons al een voorsmaak geeft. In de heilige Maagd zien wij ook de gehele vervulling van de sacramentele wijze waarop God het schepsel ‘mens’ bereikt en bij zijn heilswerk betrekt. Van de aankondiging des Heren tot aan het Pinkstergebeuren verschijnt Maria van Nazaret als de persoon wier vrijheid zich geheel en al aanpast aan de wil van God. Haar onbevlekte ontvangenis openbaart zich juist in de onvoorwaardelijke beschikbaarheid voor het goddelijk Woord. Op ieder moment wordt haar leven gevormd door een gehoorzaam geloven met betrekking tot het handelen van God. Als de luisterende Maagd leeft ze in volkomen harmonie met de goddelijke wil; de woorden die van God tot haar komen bewaart zij in haar hart, en door ze als een mozaïek samen te voegen, leert zij ze dieper verstaan (vgl. Luc. 2,19.51). Maria is de grote gelovige, die zich vertrouwvol in Gods handen plaatst en zich overgeeft aan zijn wil. [102] Dit mysterie verdiept zich tot volledige betrokkenheid bij Jezus’ verlossingswerk. Zoals het Tweede Vaticaans Concilie verklaart heeft, is “ook de heilige Maagd op de pelgrimstocht van het geloof voortgegaan en de vereniging met haar Zoon heeft zij standvastig volgehouden tot onder het kruis. Daar stond zij niet zonder Gods beschikking (vgl. Joh. 19,25), daar heeft zij smartelijk met haar Eniggeborene meegeleden en zich met haar moederhart bij zijn offer aangesloten, liefdevol toestemmend in de slachting van het offerlam dat uit haar was geboren. Uiteindelijk werd zij door dezelfde Christus Jezus, stervend op het kruis, als moeder aan de leerling gegeven met deze woorden: “Vrouw, ziedaar uw zoon”. [103] Van de boodschap van de engel tot aan het kruis is Maria degene die het Woord opneemt – het Woord dat in haar het vlees aanneemt en ten slotte verstomt in het zwijgen van de dood. Uiteindelijk is zij het die het levenloze, geofferde lichaam in haar armen neemt van Hem die de Zijnen werkelijk “ten einde toe” (Joh. 13,10 heeft liefgehad. Daarom keren wij ons iedere keer als wij in de Eucharistieviering het Lichaam en het Bloed van Christus ontvangen ook tot haar, die met volle instemming het offer van Christus voor de hele Kerk heeft aangenomen. Terecht hebben de synodevaders bevestigd dat “Maria de deelname van de Kerk aan het offer van de Verlosser opent”. [104] Zij is de onbevlekte die de gave van God onvoorwaardelijk aanneemt en op deze wijze deel krijgt aan het verlossingswerk. Maria van Nazaret, icoon van de wordende Kerk, is het voorbeeld hoe ieder van ons het geschenk, dat Jezus zelf in de Eucharistie is, moet ontvangen. DEEL II EUCHARISTIE, MYSTERIE DAT MEN VIERT “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wat Mozes u gaf was niet het brood uit de hemel;
Lex orandi en lex credendi 34. De bisschoppensynode heeft veel nagedacht over de innerlijke verhouding tussen het eucharistisch geloof en de liturgische viering. Zij heeft daarbij de verbinding van de lex orandi en de lex credendi op de voorgrond geplaatst en de prioriteit van de handeling benadrukt. Men moet de Eucharistie beleven als authentiek gevierd geloofsmysterie, in het duidelijke bewustzijn dat “de intellectus fidei een onvervalste band heeft met de liturgische handeling van de Kerk”. [105] Op dit gebied kan de theologische reflectie nooit de sacramentele orde, die door Christus zelf is ingesteld, buiten beschouwing laten. Anderzijds kan de liturgische handeling nooit algemeen beschouwd worden, onafhankelijk van het geloofsmysterie. De bron van ons geloof en van de eucharistische liturgie is immers één en dezelfde gebeurtenis: Christus’ zelfgave in het Paasmysterie. Schoonheid en liturgie 35. De relatie tussen het mysterie dat geloofd wordt en het mysterie dat gevierd wordt, wordt op bijzondere wijze duidelijk in de theologische en liturgische waarde van de schoonheid. De liturgie heeft namelijk, zoals trouwens ook de christelijke openbaring, een innerlijke band met de schoonheid: zij is veritatis splendor. In de liturgie licht het Paasmysterie op, waardoor Christus zelf ons naar zich toetrekt en ons tot gemeenschap roept. In Jezus aanschouwen wij – zoals de heilige Bonaventura placht te zeggen – de schoonheid en de glans van het begin. [106] Dit kenmerk waarop wij ons beroepen is niet alleen maar estheticisme, doch een manier waarop de waarheid van Gods liefde in Christus ons bereikt, ons fascineert, ons begeestert en zo bewerkt dat wij buiten onszelf treden en getrokken worden tot onze ware roeping, tot de liefde. [107] Reeds in de schepping laat God zich vermoeden in de schoonheid en de harmonie van de kosmos (vgl. Wijsh. 13,5; Rom. 1,19-20). In het Oude Testament vinden we grootse tekenen van de glorie van Gods macht, die zich met zijn heerlijkheid openbaart door de wonderen die Hij bij het uitverkoren volk laat gebeuren (vgl. Ex. 14; 16,10; 24,12-18; Num. 14,20-23). In het Nieuwe Testament vindt deze openbaring van de schoonheid haar definitieve vervulling in Gods zelfopenbaring in Jezus Christus [108]: Hij is de volledige openbaring van de goddelijke heerlijkheid. In de verheerlijking van de Zoon licht de heerlijkheid van de Vader op en deelt zich mee (vgl. Joh. 1,14; 8,54; 12,28; 17,1). Deze schoonheid is echter niet alleen maar een harmonie van vormen; de mens “aan wie niemand gelijk is in edele gestalte” (Ps. 45 [44], 3) is op mysterieuze wijze ook degene van wie wordt gezegd: “zijn uiterlijk noch schoonheid waren het bekijken waard, hij was geen verschijning, die bewondering wekt” (Jes. 53,2). Jezus Christus toont ons hoe de waarheid van de liefde ook het duistere mysterie van de dood in het stralende licht van de verrijzenis kan omvormen. Hier overstijgt de glans van Gods heerlijkheid alle binnenwereldlijke schoonheid. De ware schoonheid is Gods liefde, die ons definitief geopenbaard is in het Paasmysterie. De schoonheid van de liturgie vormt deel van dit mysterie; zij is de hoogste uitdrukking van Gods heerlijkheid en ergens een doorbreken van de hemel op aarde. De gedachtenisviering van het offer van verzoening draagt de trekken van Jezus’ schoonheid in zich, die Petrus, Jakobus en Johannes aanschouwd hebben, toen de Meester op weg naar Jeruzalem voor hun ogen verheerlijkt werd (vgl. Mc. 9,2). Schoonheid is dan ook geen decoratief element van de liturgische handeling, maar veel eerder een constitutief element, daar schoonheid een eigenschap van God zelf en van zijn openbaring is. Dat alles moet ons doen beseffen hoe zorgvuldig erop gelet dient te worden dat de liturgische handeling het wezen ervan doet schitteren. De Eucharistieviering, een werk van “Christus totus” Christus totus in capite et in corpore 36. Het eigenlijke onderwerp van de innerlijke schoonheid van de liturgie is de verrezen en in de heilige Geest verheerlijkte Christus, die de Kerk in zijn handelen insluit. [109] In dit verband kunnen wij onder de indruk geraken als wij ons de woorden in herinnering roepen van de heilige Augustinus, waarin hij op doeltreffende wijze de dynamiek van het geloof beschrijft, die eigen is aan de Eucharistie. De grote heilige van Hippo benadrukt juist met betrekking tot het eucharistisch mysterie hoe Christus zelf ons in zich opneemt: “Het brood dat u op het altaar ziet is, geheiligd door het Woord van God, het Lichaam van Christus. De kelk, of liever gezegd wat de kelk bevat, is, geheiligd door het Woord van God, het Bloed van Christus. Met deze tekenen wilde Christus, de Heer, ons zijn Lichaam toevertrouwen, evenals zijn Bloed dat Hij voor ons tot vergeving van de zonden vergoten heeft. Als u beide op de juiste wijze ontvangen hebt, bent u zelf wat u ontvangen hebt”. [110] Daarom “zijn wij niet alleen christenen geworden, maar wij zijn Christus zelf geworden”. [111] Van hieruit kunnen wij het mysterievolle handelen van God bezien, dat leidt tot diepe eenheid tussen ons en Jezus, de Heer: “Men moet namelijk niet geloven dat Christus in het hoofd is, zonder ook in het lichaam te zijn: Hij is geheel en al in het hoofd en in het lichaam”. [112] Eucharistie en de verrezen Christus 37. Daar de eucharistische liturgie wezenlijk actio Dei is, die ons door de heilige Geest in Jezus binnen trekt, kunnen wij niet eigenmachtig beschikken over de fundamentele structuur ervan en mag die niet onder druk worden gezet door wat toevallig op zeker moment in de mode is. Ook hier geldt de onherroepelijke uitspraak van de heilige Paulus: “Niemand kan een ander fundament leggen dan wat er reeds ligt, namelijk Jezus Christus” (1 Kor. 3,11). En het is opnieuw de Apostel van de heidenen die ons met betrekking tot de Eucharistie verzekert dat hij ons geen door hemzelf ontwikkelde leer overlevert, maar wat hij zelf ontvangen heeft (vgl. 1 Kor. 11,23). De viering van de Eucharistie sluit namelijk de levende overlevering in. De Kerk viert het eucharistisch offer in gehoorzaamheid aan de opdracht van Christus, op grond van de ontmoeting met de verrezen Heer en de uitstorting van de heilige Geest. Op grond hiervan komt de christelijke gemeenschap vanaf het begin op de dag des Heren samen voor de fractio panis. De dag waarop Christus uit de dood is opgestaan, de zondag, is ook de eerste dag van de week, de dag die volgens de overlevering van het Oude Testament het begin van de schepping zag. De dag van de schepping is nu de dag van de “nieuwe schepping” geworden, de dag van onze bevrijding, waarop wij de gestorven en verrezen Christus gedenken. [113] Ars celebrandi 38. Tijdens de synode is meermalen nadrukkelijk gewezen op de noodzaak iedere mogelijke scheiding tussen de ars celebrandi, dat wil zeggen de kunst van het correct celebreren, en de volledige, actieve en vruchtbare deelname van alle gelovigen te overbruggen. In feite is de beste manier om de deelname van het godsvolk aan de sacrale ritus te bevorderen, het correct vieren van de ritus zelf. De ars celebrandi is de beste voorwaarde voor de actuosa participatio. [114] De ars celebrandi volgt uit de trouwe en volledige naleving van de liturgische normen, want het is juist deze wijze van vieren die sinds tweeduizend jaar het geloofsleven van alle gelovigen garandeert, de gelovigen die geroepen zijn de viering als volk van God, als koninklijk priesterschap, als heilige natie te beleven (vgl. 1 Petr. 2,4-5.9). [115] De bisschop, liturg bij uitstek 39. Ook al neemt het gehele volk van God deel aan de eucharistische liturgie, toch hebben zij die het sacrament van de wijding hebben ontvangen met betrekking tot de juiste ars celebrandi een absolute verantwoordelijkheid in deze. Bisschoppen, priesters en diakens moeten, ieder naar hun wijdingsgraad, de viering van de liturgie als hun eerste taak beschouwen. [116] Dat geldt op de eerste plaats voor de diocesane bisschop. Hij is “de eerste bedienaar van Gods mysteries in de particuliere Kerk die hem is toevertrouwd, hij is immers de leider, bevorderaar en behoeder van geheel het liturgische leven”. [117] Dat alles is beslissend voor het leven van de particuliere Kerk, niet alleen omdat de gemeenschap met de bisschop de voorwaarde is voor de geldigheid van iedere viering in zijn gebied, maar ook omdat hij de celebrant bij uitstek in zijn Kerk is. [118] Het is zijn plicht de harmonische eenheid van de vieringen in zijn bisdom te bewaren. Daarom is het “zijn taak erop te letten dat de priesters, diakens en lekengelovigen de werkelijke betekenis van de riten steeds dieper verstaan en zo komen tot een actieve en vruchtbare viering van de Eucharistie”. [119] In het bijzonder roep ik ertoe op al het nodige te doen om bij de door de bisschop gevierde plechtigheden in de kathedrale kerk, de ars celebrandi volledig in acht te nemen, zodat deze als voorbeeld voor alle kerken in het bisdom beschouwd kunnen worden. [120] Eerbied voor de liturgische boeken en de rijkdom van de tekenen 40. Uit de benadrukking van het belang van de ars celebrandi volgt tevens duidelijk de betekenis van de liturgische voorschriften. [121] De ars celebrandi moet het gevoel voor het heilige bevorderen en zich bedienen van uiterlijke vormen die dit gevoel cultiveren, bijvoorbeeld de harmonie van de ritus, de liturgische gewaden, de inrichting en het priesterkoor. Daar waar de priesters en degenen die voor de liturgische pastoraal verantwoordelijk zijn zich ervoor inzetten de goedgekeurde liturgische boeken en de overeenkomstige voorschriften bekend te maken en de grote rijkdom van het Algemeen Statuut van het Romeins Missaal en De ordening voor de lezingen van de Mis onderstrepen, komt dat de Eucharistieviering ten goede. Waarschijnlijk wordt ervan uitgegaan dat men in de kerkelijke gemeenschappen deze geschriften kent en waardeert, maar dat is dikwijls ten onrechte. In feite zijn het teksten die schatten bevatten, waardoor het geloof en de weg van het godsvolk in de tweeduizend jaar van zijn geschiedenis bewaard en tot uitdrukking gebracht worden. Even belangrijk voor een juiste ars celebrandi is aandacht voor alle uitdrukkingsvormen waarin de liturgie voorziet: woord en gezang, gebaren en zwijgen, lichaamshouding, de liturgische kleuren van de paramenten. De liturgie bezit van nature een heel register van communicatievormen, dat het mogelijk maakt de hele mens bij de liturgie te betrekken. De eenvoud van de gebaren en de soberheid van de aangegeven volgorde van de tekenen, ieder op hun eigen moment, brengen meer tot stand en maken mensen meer betrokken dan gekunstelde, misplaatste toevoegingen. Eerbied voor en gehoorzaamheid aan de eigen structuur van de ritus geven uitdrukking aan de erkenning dat de Eucharistie een geschenk is en openbaren tegelijk de wil van de priester in deemoed en dankbaarheid de onbeschrijfelijke gave te aanvaarden. Kunst in dienst van de viering 41. De nauwe band tussen schoonheid en liturgie moet ons ertoe aanzetten zorgvuldig aandacht te besteden aan alle kunstwerken die in dienst staan van de viering [122] Een belangrijke component van de sacrale kunst is natuurlijk de architectuur van de kerk [123] waarin de eenheid van de bijzondere elementen van het priesterkoor – altaar, kruisbeeld, tabernakel, ambo en zetel – benadrukt moet worden. In verband hiermee moet men er rekening mee houden dat het doel van de sacrale architectuur erin bestaat de Kerk, die de geloofsmysteries – en in het bijzonder de Eucharistie – viert, de meest geschikte ruimte te bieden voor het passende verloop van de liturgische handeling. [124] Het wezen van een christelijk godshuis wordt namelijk bepaald door de liturgische handeling zelf, het samenkomen van de gelovigen (ecclesia), die de levende stenen van de tempel zijn (vgl. 1 Petr. 2,5). Hetzelfde principe geldt voor alle sacrale kunst, in het bijzonder voor schilderkunst en beeldhouwkunst, waarbij de religieuze iconografie zich moet richten naar de sacramentele mystagogie. Een goede kennis van de vormen die de sacrale kunst in de loop der eeuwen heeft voortgebracht, kan van groot nut zijn voor hen die verantwoordelijk zijn voor het verstrekken van opdrachten aan architecten en kunstenaars wat betreft kunstwerken die verbonden zijn met de liturgische handeling. Daarom is het essentieel dat kunstgeschiedenis een belangrijk vak is bij de opleiding van seminaristen en priesters, met bijzondere aandacht voor kerkgebouwen in het licht van de liturgische voorschriften. Het is, kortom, noodzakelijk dat bij alles wat met de Eucharistie te maken heeft sprake is van goede smaak en gevoel voor schoonheid. Eerbied en zorg verdienen ook de paramenten, het kerkelijk meubilair en het heilig vaatwerk, zodat deze, organisch met elkaar verbonden en op elkaar afgestemd, de verwondering ten opzichte van het mysterie van God levend houden, de eenheid van het geloof verduidelijken en de devotie versterken. [125] Het liturgisch gezang 42. Het liturgisch gezang neemt in de ars celebrandi een belangrijke plaats in. [126] Terecht benadrukt de heilige Augustinus in een van zijn beroemde preken: “De nieuwe mens weet wat het nieuwe lied is. Zingen is een uiting van vreugde en – als wij er goed over nadenken – een uiting van liefde”. [127] Het Godsvolk dat samengekomen is om te vieren zingt Gods lof. De Kerk heeft in haar tweeduizendjarige geschiedenis muziek en zang voortgebracht – en doet dat nog steeds – die een erfenis van geloof en liefde vormen, die nooit verloren mag gaan. In de liturgie kunnen wij werkelijk niet zeggen dat alle gezangen even goed zijn. Hier moet de oppervlakkige improvisatie of het invoeren van muzikale genres die geen rekening houden met de betekenis van de liturgie vermeden worden. Als element van de liturgie moet het gezang zich invoegen in de bijzondere vorm van de viering. [128] Daarom moet alles – de tekst, de melodie en de uitvoering – overeenstemmen met de betekenis van het gevierde mysterie, met de onderdelen van de ritus en met de liturgische tijden. [129] Ten slotte – hoewel ik de verschillende richtingen en zeer prijzenswaardige tradities eerbiedig – is het mijn wens dat, in overeenstemming met het verzoek van de synodevaders, recht wordt gedaan aan de Gregoriaanse zang [130], daar deze in wezen de zang van de Romeinse liturgie is. [131] De structuur van de Eucharistieviering 43. Na de belangrijkste elementen van de ars celebrandi te hebben genoemd, wil ik nadrukkelijk de aandacht vestigen op enkele aspecten van de structuur van de Eucharistieviering, waar wij in onze tijd bijzonder opmerkzaam op moeten zijn. Het doel hiervan is trouw te blijven aan de onderliggende doelstelling van de door het Tweede Vaticaans Concilie op gang gebrachte liturgische vernieuwing in continuïteit met de gehele kerkelijke overlevering. De innerlijke eenheid van de liturgische handeling 44. Allereerst is het noodzakelijk na te denken over de innerlijke eenheid van de ritus van de heilige Mis. Zowel in de catechese als ook in de wijze van vieren moet worden vermeden dat de indruk wordt gewekt van twee naast elkaar bestaande delen. De woorddienst en de eucharistische liturgie zijn – naast de openingsriten en de slotriten – “zó nauw met elkaar verbonden dat ze één daad van eredienst uitmaken”. [132] Er is inderdaad een nauwe band tussen het Woord van God en de Eucharistie. Bij het horen van het Woord van God ontstaat het geloof of wordt het versterkt (vgl. Rom. 10,17); in de Eucharistie schenkt het mensgeworden Woord zich aan ons als geestelijke spijs. [133] Zo “ontvangt de Kerk het brood des levens van de twee tafels van het Woord van God en van het Lichaam van Christus en biedt het de gelovigen aan”. [134] Daarom moet men steeds voor ogen houden dat het Woord van God, gelezen en verkondigd in de liturgie, naar de Eucharistie als zijn wezenlijk doel voert. De Woorddienst 45. In eenheid met de synode vraag ik dat de Woorddienst altijd op passende wijze wordt voorbereid en beleefd. Daarom beveel ik dringend aan er grote zorg voor te dragen dat in de liturgie het Woord van God wordt verkondigd door goed voorbereide lectoren. Laten wij nooit vergeten dat “wanneer in de Kerk de heilige Schrift gelezen wordt, God zelf tot zijn volk spreekt en Christus, die aanwezig is in zijn Woord, het evangelie verkondigt”. [135] Als de omstandigheden zich ervoor lenen, kan men denken aan enkele inleidende woorden om de gelovigen te helpen dit weer te beseffen. Om het Woord van God goed te begrijpen, moet men het aanhoren en opnemen in de geest van de Kerk en in het bewustzijn van de eenheid van het Woord met het sacrament van de Eucharistie. Het Woord dat wij verkondigen en aanhoren is immers het mensgeworden Woord (vgl. Joh. 1,14); het is onlosmakelijk verbonden met de Persoon van Christus en met de sacramentele wijze waarop Hij onder ons tegenwoordig blijft. Christus spreekt niet in het verleden, maar in ons heden, net zoals Hij aanwezig is in de liturgische handeling. In deze sacramentele visie op de christelijke openbaring [136] stellen de kennis en de studie van het Woord van God ons in de gelegenheid de Eucharistie beter te waarderen, te vieren en te ervaren. Ook hier blijkt weer de volle waarheid van de stelling dat “wie de Schrift niet kent, Christus niet kent”. [137] Hiertoe is het noodzakelijk dat de gelovige door pastorale initiatieven, woorddiensten en geestelijke lezing (lectio divina) geholpen wordt de rijkdom te waarderen van de heilige Schrift, die in het lectionarium voorhanden is. Daarenboven mag men niet vergeten de door de traditie bevestigde gebedsvormen te bevorderen: het getijdengebed – bovenal de lauden, de vespers en de completen – evenals de vigilievieringen. Het psalmgebed, de Schriftlezingen en de teksten uit de grote traditie die worden aangereikt in de lezingendienst van het brevier kunnen leiden tot een verdiepte ervaring van het Christusgebeuren en de heilseconomie, die dan weer het begrip en de innerlijke deelname aan de Eucharistieviering kan verrijken. [138] De homilie 46. Gegeven het belang van het Woord van God, is het noodzakelijk de kwaliteit van de homilie te verbeteren. Deze is immers “een deel van de liturgische handeling” [139] en is bedoeld om het begrip en de doeltreffendheid van het Woord van God in het leven van de gelovigen te bevorderen. Daarom moeten priesters “de preek zorgvuldig voorbereiden, waarbij ze moeten kunnen steunen op een adequate kennis van de heilige Schrift”. [140] Oppervlakkige, algemene dan wel abstracte preken dienen vermeden te worden. Ik vraag de predikanten in het bijzonder ervoor te zorgen dat de homilie het verkondigde Woord van God zo nauw mogelijk in verband brengt met de sacramentele viering [141] en met het leven van de gemeenschap, zodat het Woord van God werkelijk het “steunpunt en de levenskracht” van de Kerk is. [142] Daarom moet men het catechetische en bemoedigende doel van de homilie in het oog houden. Het lijkt passend de gelovigen in de loop van het liturgisch jaar – uitgaande van het driejarig lectionarium – weloverwogen thematische homilieën te bieden, waarbij de grote thema’s van het christelijk geloof worden behandeld, en waarbij teruggrepen wordt op datgene wat door het leerambt gezagvol wordt aangeboden in de “vier zuilen” van de Katechismus van de Katholieke Kerk en het later verschenen Compendium: de geloofsbelijdenis, de sacramenten van het geloof, het geloofsleven en het gebed van de gelovige. [143] Het aanbieden van de gaven 47. De synodevaders hebben ook de aandacht gevestigd op het aanbieden van de gaven. Het gaat hier niet eenvoudigweg om een soort “intermezzo” tussen de woorddienst en de eucharistische liturgie. Dat zou ondermeer geen recht doen aan de ene, uit twee delen samengestelde ritus. In deze nederige en eenvoudige handeling komt werkelijk een zeer diepe betekenis tot uitdrukking: In het brood en de wijn die wij naar het altaar brengen, wordt de gehele schepping door Christus, de Verlosser, aangenomen om omgevormd en aan de Vader aangeboden te worden. [144] Zo beschouwd brengen wij alle leed en alle verdriet van de wereld naar het altaar, in de zekerheid dat alles kostbaar is in de ogen van God. Voor de authentieke beleving ervan hoeft deze handeling niet benadrukt te worden door misplaatste toevoegingen. Wij worden erdoor in staat gesteld de oorspronkelijke deelname die God van de mens verlangt om het goddelijk werk in hem tot voltooiing te brengen, naar waarde te schatten en zo aan de menselijke arbeid de uiteindelijke zin te geven: door de Eucharistieviering met het verlossend offer van Christus verenigd worden. Het eucharistisch Hooggebed 48. Het eucharistisch Hooggebed is het “centrum en hoogtepunt van heel de viering”. [145] Het belang ervan moet in overeenstemming hiermee benadrukt worden. De verschillende eucharistische Hooggebeden in het Missaal zijn ons doorgegeven door de levende overlevering van de Kerk; ze munten uit door een onuitputtelijke theologische en geestelijke rijkdom. De gelovigen moeten leren ze naar waarde te schatten. Daarbij kan het Algemeen Statuut van het Altaarmissaal ons van dienst zijn, met de opsomming van de basiselementen van ieder eucharistisch Gebed: dankzegging, acclamatie, epiclese, instellingsverhaal, consecratie, anamnese, aanbieding, intercessies en slotdoxologie. [146] De eucharistische spiritualiteit en de theologische reflectie worden in het bijzonder verduidelijkt als men de diepe eenheid in de anaphora beschouwt tussen de aanroeping van de heilige Geest en het instellingsverhaal [147], waarbij “het offer wordt voltrokken, dat Christus zelf tijdens het Laatste Avondmaal heeft ingesteld”. [148] Inderdaad “smeekt de Kerk door middel van bijzondere aanroepingen de kracht af van de heilige Geest, opdat de gaven die door de mensen zijn aangeboden worden geconsacreerd, ofwel tot het Lichaam en Bloed van Christus worden en opdat de onbevlekte offergave die bij de Communie genuttigd zal worden, heilzaam zal zijn voor degenen die er deel aan zullen hebben”. [149] De vredeswens 49. De Eucharistie is van nature een sacrament van vrede. Deze dimensie van het eucharistisch mysterie wordt in de liturgische viering op bijzondere wijze uitgedrukt door de vredeswens. Het gaat hier ongetwijfeld om een teken van grote waarde (vgl. Joh. 14,27). In onze tijd, die zo schrikbarend veel conflicten kent, krijgt dit gebaar, ook gezien vanuit het algemeen gevoel, een bijzondere betekenis, in zoverre de Kerk het steeds meer als haar opdracht gaat beschouwen van de Heer de gave van de vrede en de eenheid voor zichzelf en voor de gehele mensenfamilie af te smeken. De vrede is zeker een niet te onderdrukken verlangen in ieders hart. De Kerk maakt zich tot woordvoerster van deze bede om vrede en verzoening, die opstijgt uit het innerlijk van iedere mens van goede wil, en richt die bede tot Hem die “onze vrede” is (Ef. 2,14) en die ook volken en individuen met elkaar kan verzoenen, waar menselijke pogingen mislukken. Op grond van dit alles is het begrijpelijk dat de vredesritus in de liturgieviering dikwijls heel intens wordt ervaren. Toch benadrukte de bisschoppensynode in dit verband dat het zinvol is dit gebaar, dat overdreven vormen kan aannemen en uitgerekend vlak voor de Communie verwarring kan veroorzaken, binnen de perken te houden. Het is goed eraan te herinneren dat de grote waarde van het gebaar geenszins vermindert door de soberheid die noodzakelijk is om een sfeer te bewaren die bij de viering past. Men kan de vredesgroet bijvoorbeeld beperken tot de mensen in de onmiddellijke omgeving. [150] Uitreiken en ontvangen van de Eucharistie 50. Nog een moment van de viering dat ter sprake gebracht moet worden is dat van het uitreiken en ontvangen van de heilige Communie. Ik verzoek allen, in het bijzonder de gewijde ambtsdragers en degenen die – passend voorbereid – in geval van werkelijke noodzaak gevolmachtigd zijn tot de dienst van het uitreiken van de Communie, al het mogelijke te doen opdat de handeling in alle eenvoud beantwoordt aan de betekenis ervan: de persoonlijke ontmoeting met de Heer Jezus in het sacrament. Wat de voorschriften aangaande de correcte praktijk betreft, verwijs ik naar de recent uitgegeven documenten. [151] Alle christelijke gemeenschappen moeten zich trouw aan de geldende voorschriften houden en daarin een uiting van het geloof en de liefde zien, die wij allen ten opzichte van het verheven sacrament moeten hebben. Bovendien moet de kostbare tijd van de dankzegging niet verwaarloosd worden. Behalve het zingen van een gepast gezang kan het ook heel nuttig zijn gezamenlijk enige tijd stilte in acht te nemen. [152] In dit verband wil ik wijzen op een pastoraal probleem waarop men heden ten dage vaak stoot. Ik bedoel het feit dat bij bepaalde gelegenheden zoals een Eucharistieviering bij een huwelijk, een uitvaart of iets dergelijks, behalve de praktiserende gelovigen ook anderen bij de viering aanwezig zijn die mogelijk al jarenlang de Communie niet hebben ontvangen of die zich wellicht in levensomstandigheden bevinden waardoor ze de sacramenten niet kunnen ontvangen. Bij andere gelegenheden zijn leden van andere christelijke denominaties of zelfs van andere godsdiensten aanwezig. Soortgelijke omstandigheden doen zich ook voor in kerken die – in het bijzonder in toeristische steden – het doel van grote stromen bezoekers zijn. Het is duidelijk dat er dan mogelijkheden gevonden moeten worden om iedereen kort en doeltreffend de betekenis van de sacramentele Communie en de voorwaarden om deze te kunnen ontvangen in herinnering te roepen. In situaties waar de noodzakelijke verduidelijking met betrekking tot de betekenis van de Eucharistie niet gegarandeerd kan worden, moet overwogen worden in hoeverre het beter is in plaats van een Eucharistieviering een woorddienst te houden. [153] De wegzending: “Ite missa est” 51. Ten slotte wil ik ingaan op wat de synodevaders over de wegzending aan het einde van de Eucharistieviering hebben gezegd. Na de zegen zendt de diaken of de priester het volk weg met de woorden: “Ite missa est”. In deze woorden herkennen wij de relatie tussen de gevierde Mis en de christelijke zending in de wereld. In de oudheid betekende “missa” gewoon “ontslag”. In het christelijk gebruik heeft het woord echter een steeds diepere betekenis gekregen, waarbij “missa” steeds meer als “missio” werd begrepen en zo ‘ontslag’ tot ‘uitzending’ werd. Deze groet brengt in weinig woorden de missionaire aard van de Kerk tot uitdrukking. Daarom is het goed het volk te helpen deze constitutieve dimensie van het kerkelijk leven te verdiepen, zodat men zich door de liturgie in beweging laat brengen. Met het oog hierop kan het nuttig zijn voor het gebed over het volk en de slotzegen te beschikken over passende, goedgekeurde teksten die dit verband duidelijk tot uitdrukking brengen. [154] Actuosa participatio Authentieke deelname 52. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft terecht met bijzondere nadruk gesproken over de actieve, volledige en vruchtbare deelname van het gehele Godsvolk aan de Eucharistieviering. [155] De vernieuwing die in deze jaren is gerealiseerd heeft zeker aanzienlijke voortgang bevorderd in de door de Concilievaders gewenste richting. Toch mogen wij niet blind zijn voor het feit dat zich daarbij af en toe gebrek aan inzicht heeft voorgedaan wat betreft de werkelijke betekenis van deze deelname. Daarom moet duidelijk worden gemaakt dat met dit begrip niet een eenvoudige uitwendige activiteit tijdens de viering wordt bedoeld. In feite moet de door het Concilie gewenste actieve deelname in een veel wezenlijker zin worden begrepen, uitgaand van een dieper besef van het mysterie dat gevierd wordt, en de relatie daarvan met het dagelijks leven. De aanbeveling van de Constitutie Sacrosanctum Concilium van het Tweede Vaticaans Concilie, die de gelovigen oproept de Eucharistie niet bij te wonen “als buitenstaanders of zwijgende toeschouwers” maar “bewust, met godsvrucht en actief aan de heilige handeling deel te nemen” [156] heeft nog niets van zijn actualiteit verloren. Het Concilie voegde daar nog de overwegingen aan toe: de gelovigen “moeten in het woord van God worden onderwezen” en “aan de tafel van het lichaam des Heren worden gesterkt. Zij moeten dank brengen aan God, zichzelf leren offeren door de aanbieding van het onbevlekte Slachtoffer - niet alleen door de handen van de priester maar ook samen met hem - en van dag tot dag door Christus, de Middelaar, vollediger worden gebracht tot de eenheid met God en onder elkaar”. [157] Deelname en priesterlijke dienst 53. De schoonheid en de harmonie van de liturgische handeling komen betekenisvol tot uitdrukking in de ordening waarin iedereen geroepen is actief deel te nemen. Dat impliceert de erkenning van de verschillende hiërarchische rollen in de viering. Het is nuttig eraan te herinneren dat actieve deelname op zich niet noodzakelijk samenvalt met het uitoefenen van een bijzondere dienst. De zaak van de actieve deelname van de gelovigen is zeker niet gediend met verwarring die ontstaat ten gevolge van het onvermogen in de kerkelijke gemeenschap de verschillende taken te onderscheiden die aan ieder toekomen. [158] In het bijzonder is het noodzakelijk dat er duidelijkheid is wat betreft de specifieke taken van de priester. Zoals de traditie van de Kerk bevestigt, is hij op onvervangbare wijze degene die gedurende de gehele Eucharistieviering de leiding heeft, van de openingsgroet tot de slotzegen. Krachtens de heilige wijding die hij ontvangen heeft, vertegenwoordigt hij Jezus Christus, het Hoofd van de Kerk, en, op de hem eigen wijze, ook de Kerk zelf. [159] “Iedere wettige Eucharistieviering wordt door de bisschop geleid, ofwel door hem persoonlijk, ofwel door zijn helpers, de priesters”. [160] Hij wordt bijgestaan door een diaken, aan wie tijdens de viering enige specifieke taken toekomen: het gereedmaken van het altaar, het assisteren van de priester, de verkondiging van het evangelie, eventueel af en toe de homilie, het voorgaan van de gemeenschap in de voorbeden, het uitreiken van de Communie. [161] Naast deze, aan de wijding gebonden taken, zijn er ook liturgische diensten die zinvol door religieuzen en goed voorbereide leken uitgeoefend kunnen worden. [162] Eucharistieviering en inculturatie 54. Sinds de fundamentele uitspraken van het Tweede Vaticaans Concilie is de betekenis van de actieve deelname van de gelovigen aan het eucharistisch offer herhaaldelijk benadrukt. Om deze participatie te bevorderen, kan men ruimte scheppen voor enige aanpassingen, die geschikt zijn voor bepaalde gelegenheden en culturen. [163] Het feit dat zich hierbij misbruiken hebben voorgedaan doet verder niets af aan dit principe, dat gehandhaafd moet worden in overeenstemming met de werkelijke behoeften van de Kerk, die één en hetzelfde mysterie van Christus beleeft en viert in verschillende culturele situaties. Jezus, de Heer, heeft zich namelijk, doordat Hij volledig als mens uit een vrouw geboren werd (vgl. Gal. 4,4), juist in het mysterie van de Menswording, geplaatst in een directe relatie niet alleen met de verwachtingen die leefden in het Oude Testament, maar ook met de verwachtingen die door alle volken worden gekoesterd. Daarmee heeft Hij aangetoond dat God ons wil bereiken in onze eigen leefwereld. Daarom is voor een effectieve deelname van de gelovigen aan de heilige mysteries de voortzetting van het proces van inculturatie in het kader van de Eucharistieviering van belang. Daarbij moet rekening worden gehouden met de aanpassingsmogelijkheden die het Algemeen Statuut van het Romeins Missaal biedt [164]. Deze moeten geïnterpreteerd worden in het licht van de criteria van de Vierde Instructie van de Congregatie van de Goddelijke Eredienst en de Discipline van de Sacramenten Varietates legitimae, van 25 januari 1995 [165] en de richtlijnen die paus Joannes Paulus II heeft gegeven in de postsynodale exhortaties Ecclesia in Africa, Ecclesia in America, Ecclesia in Asia, Ecclesia in Oceania en Ecclesia in Europa [166]. Ik beveel de bisschoppenconferenties aan hierbij een zorgvuldige afweging te maken tussen reeds uitgevaardigde criteria en richtlijnen en nieuwe aanpassingen [167], altijd in overeenstemming met de Apostolische Stoel. Persoonlijke voorwaarden voor “actuosa participatio” 55. Bij de bespreking van het thema van de actuosa participatio van de gelovigen aan de heilige liturgie hebben de synodevaders ook de nadruk gelegd op de persoonlijke geestesgesteldheid waarin iemand zich moet bevinden voor een vruchtbare deelname. [168] Een element is daarbij zeker de geest van voortdurende bekering, die het leven van alle gelovigen moet kenmerken. Men kan voor zichzelf geen actieve deelname aan de eucharistische liturgie verwachten, als men er slechts oppervlakkig bij is, zonder eerst het eigen leven onderzocht te hebben. Een dergelijke innerlijke bereidheid wordt bijvoorbeeld bevorderd door inkeer en zwijgen, tenminste enkele ogenblikken voor het begin van de liturgie, door vasten en, indien nodig, door een sacramentele biecht. Een met God verzoend hart maakt ware deelname mogelijk. In het bijzonder moet men de gelovigen eraan herinneren dat een actuosa participatio niet te verwezenlijken is als men niet tegelijkertijd probeert actief deel te nemen aan het gehele kerkelijke leven, daaronder begrepen de missionaire inzet om de liefde van Christus de samenleving in te dragen. De volledige deelname aan de Eucharistie vindt ongetwijfeld plaats als men ook zelf de Communie ontvangt. [169] Niettemin moet er voor gezorgd worden dat deze juiste uitspraak bij de gelovigen niet tot een zeker automatisme leidt, alsof men alleen omdat men zich tijdens de liturgieviering in de kerk bevindt het recht of misschien zelfs wel de plicht heeft tot de eucharistische maaltijd te naderen. Ook als het niet mogelijk is de sacramentele Communie te ontvangen blijft de deelname aan de heilige Mis noodzakelijk, geldig, betekenisvol en vruchtbaar. Onder deze omstandigheden is het goed het verlangen naar de volledige vereniging met Christus te koesteren, bijvoorbeeld door de praktijk van de geestelijke Communie, waaraan Joannes Paulus II herinnert [170] en die wordt aanbevolen door heilige leermeesters van het geestelijk leven. [171] Deelname door christenen die niet katholiek zijn 56. Bij het thema van de deelname moeten we onvermijdelijk spreken over de christenen die behoren tot Kerken of kerkelijke gemeenschappen, die niet in volle gemeenschap met de katholieke Kerk staan. In dit verband moet gezegd worden dat de intrinsieke band tussen de Eucharistie en de eenheid van de Kerk, ons enerzijds vurig doet verlangen naar de dag waarop wij met alle christengelovigen gezamenlijk Eucharistie zullen kunnen vieren en zo de volheid van de door Christus voor zijn leerlingen gewilde eenheid (vgl. Joh. 17,21) tot uitdrukking kunnen brengen. Anderzijds verbiedt ons de eerbied die wij het sacrament van het Lichaam en Bloed van Christus verschuldigd zijn dat slechts tot “middel” te reduceren, dat zonder onderscheid gebruikt kan worden om die eenheid te bereiken. [172] De Eucharistie drukt immers niet alleen onze persoonlijke gemeenschap met Jezus Christus uit, doch sluit ook de volle Communio met de Kerk in. Dat is de reden waarom wij met droefheid maar niet zonder hoop de niet-katholieke christenen vragen onze overtuiging, die gebaseerd is op de Bijbel en op de Traditie, te begrijpen en te respecteren. Wij zijn van mening dat de eucharistische Communie en de kerkelijke Communio zo innig bij elkaar horen, dat het voor niet-katholieke christenen over het algemeen onmogelijk is het sacrament van de Communie te ontvangen zonder te delen in de Communio. Nog zinlozer zou een regelrechte concelebratie zijn met ambtsdragers van andere Kerken of kerkelijke gemeenschappen, die niet in volle gemeenschap met de katholieke Kerk staan. Desondanks blijft van kracht dat waar het eeuwig heil in het geding is de mogelijkheid bestaat individuele niet-katholieke christenen toe te laten tot de Eucharistie, het boetesacrament en de ziekenzalving. Dat vereist echter wel dat het om bepaalde, buitengewone omstandigheden gaat, die aan nauwkeurig bepaalde voorwaarden voldoen. [173] Deze worden in de Katechismus van de Katholieke Kerk [174] en het Compendium [175] duidelijk aangegeven. Iedereen heeft de plicht zich daar trouw aan te houden. Deelname middels de massamedia 57. Gegeven de enorme ontwikkeling van de massamedia gedurende de laatste decennia heeft het woord “deelname” een wijdere betekenis gekregen dan in het verleden het geval was. Wij erkennen allen met tevredenheid dat deze communicatiemiddelen ook wat betreft de Eucharistieviering nieuwe mogelijkheden openen. [176] Dat vereist van de pastorale medewerkers in deze sector een speciale voorbereiding en een sterk verantwoordelijkheidsgevoel. De op de televisie uitgezonden heilige Mis krijgt namelijk onvermijdelijk een zekere voorbeeldfunctie. Daarom moet er niet alleen zorgvuldig op gelet worden dat de viering op waardige en goedvoorbereide plaatsen worden gehouden, maar ook dat de liturgische normen in acht worden genomen. Wat ten slotte de waarde van de door de massamedia mogelijk gemaakte deelname aan de heilige Mis betreft, moet degene die naar zulke uitzendingen luistert of kijkt weten dat hij hiermee onder normale omstandigheden zijn zondagsplicht niet vervult. Beelden geven weliswaar de werkelijkheid weer maar reproduceren deze niet echt. [177] Terwijl het zeer lofwaardig is dat oude en zieke mensen door de radio- en televisie-uitzendingen deel kunnen nemen aan de zondagsmis, geldt dat niet op dezelfde manier voor hen die zichzelf door dergelijke uitzendingen willen dispenseren van het gaan naar de Kerk, om aan de Eucharistieviering in de bijeenkomst van de levende Kerk deel te nemen. “Actuosa participatio” van de zieken 58. Wat betreft de situatie van hen die op grond van ziekte of ouderdom niet in staat zijn naar de plaatsen te gaan waar de eredienst wordt gevierd, wil ik de gehele kerkelijke gemeenschap wijzen op de pastorale noodzaak voor de zieken, of ze nu thuis zijn of in het ziekenhuis, geestelijke bijstand te waarborgen. Over deze situatie werd in de bisschoppensynode herhaaldelijk gesproken. Er moet voor gezorgd worden dat deze broeders en zusters van ons veelvuldig de heilige Communie kunnen ontvangen. Als zij op deze wijze hun relatie met de gekruisigde en verrezen Christus kunnen versterken, kunnen zij gewaar worden dat hun leven, door het aanbieden van hun eigen lijden in vereniging met het offer van onze Heer, geheel en al in het leven en de zending van de Kerk ingelijfd is. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de gehandicapten. Als hun conditie het toestaat moet de christelijke gemeenschap het hun mogelijk maken naar de plaats van de eredienst te komen. Met het oog hierop moet ervoor worden gezorgd dat eventuele obstakels uit de weg worden geruimd, die gehandicapten de toegang bemoeilijken. Ten slotte moet, voor zover mogelijk, de Communie gewaarborgd worden ook voor gedoopte en gevormde geestelijk gehandicapten: zij ontvangen de Eucharistie ook in het geloof van de familie of de gemeenschap die hen begeleidt. [178] De aandacht voor de gevangenen 59. De geestelijke traditie van de Kerk heeft, op grond van een ondubbelzinnig woord van Christus (vgl. Mt. 25,36), het bezoeken van gevangenen aangewezen als een van de lichamelijke werken van barmhartigheid. Degenen die zich in deze situatie bevinden hebben het bijzonder nodig door de Heer zelf in het sacrament van de Eucharistie bezocht te worden. Tijdens een dergelijk bijzondere en pijnlijke periode in het leven kan het ervaren van de nabijheid van de kerkelijke gemeenschap en het ontvangen van de heilige Communie, zeker bijdragen tot de kwaliteit van de geloofsweg van de betrokkene en volledige sociale rehabilitatie bevorderen. In overeenstemming met de in de synode geuite wensen, vraag ik de bisdommen, binnen de grenzen van de mogelijkheden, zorg te dragen voor een adequate inzet van krachten voor wat betreft de pastorale activiteiten gericht op de geestelijke zorg voor gevangenen. De migranten en de deelname aan de Eucharistie 60. Toen de synode het probleem aanroerde van mensen die om verschillende redenen gedwongen zijn hun land te verlaten, werd bijzondere dank uitgesproken jegens hen die werkzaam zijn in de pastorale zorg voor migranten. In dit verband moet bijzondere aandacht worden geschonken aan emigranten die tot de katholieke Kerken van het Oosten behoren en die niet alleen gescheiden zijn van huis en haard maar ook het bijkomende probleem hebben dat zij niet deel kunnen nemen aan de eucharistische liturgie van de eigen ritus waartoe ze behoren. Daarom moet, waar mogelijk, voor geestelijke verzorging door een priester van de eigen ritus worden gezorgd. In ieder geval vraag ik de bisschoppen deze broeders en zusters in de liefde van Christus op te nemen. De ontmoeting tussen gelovigen van verschillende riten kan ook een gelegenheid tot wederzijdse verrijking worden. In het bijzonder denk ik aan het nut dat – op de eerste plaats voor de clerus – uit de kennis van verschillende tradities kan voortvloeien. [180] De grote concelebraties 61. De synodevergadering heeft grondig overwogen wat de waarde is van deelname aan grote concelebraties, die plaats vinden bij bijzondere gelegenheden en waarbij, behalve een groot aantal gelovigen, ook veel concelebrerende priesters aanwezig zijn. [181] Enerzijds is de betekenis van deze momenten zeer herkenbaar, in het bijzonder als de bisschop de viering leidt, omringd door zijn presbyterium en de diakens. Anderzijds kunnen bij zulke gelegenheden problemen optreden wat betreft de waarneembare uitdrukking van de eenheid van het presbyterium, in het bijzonder bij het Eucharistisch Gebed en bij het uitreiken van de heilige Communie. Er moet worden vermeden dat deze grote concelebraties verwarring veroorzaken. Dat kan door op gepaste wijze voor coördinatie te zorgen en de plaats van de eredienst zo in te richten dat priesters en gelovigen tot volle, werkelijke deelname in staat worden gesteld. In ieder geval moet men voor ogen houden dat het gaat om uitzonderlijke concelebraties, die beperkt moeten blijven tot buitengewone situaties. De Latijnse taal 62. Deze uitspraken mogen echter geen afbreuk doen aan de waarde van deze grote liturgievieringen. Ik denk hierbij in het bijzonder aan de vieringen die plaats vinden tijdens internationale bijeenkomsten, die tegenwoordig steeds vaker plaats vinden. Daar moet zo goed mogelijk gebruik van gemaakt worden. Om de eenheid en de universaliteit van de Kerk beter tot uitdrukking te brengen, zou ik willen aanbevelen wat de bisschoppensynode in overeenstemming met het Tweede Vaticaans Concilie [182] heeft voorgesteld: het is goed als zulke vieringen, uitgezonderd de lezing, de homilie en de voorbeden van de gelovigen, in het Latijn worden gehouden. Ook moeten de bekendste gebeden [183] uit de traditie van de Kerk in het Latijn worden uitgesproken en eventueel een aantal Gregoriaanse gezangen worden uitgevoerd. Derhalve, in het algemeen, is het mijn wens dat toekomstige priesters vanaf hun seminarietijd erop voorbereid worden de heilige Mis in het Latijn te begrijpen en te vieren, Latijnse teksten te gebruiken en Gregoriaanse zang uit te voeren. Men moet ook de mogelijkheid open houden dat de gelovigen wordt geleerd de meest algemene gebeden in het Latijn te bidden en bepaalde delen van de liturgie Gregoriaans te zingen. [184] Eucharistie vieren in kleine groepen 63. Een geheel andere situatie doet zich voor als men bij sommige pastorale gelegenheden, juist omwille van een bewustere, actievere en meer vruchtbare deelname, kiest voor vieringen in kleine groepen. Ondanks de erkenning van de vormende waarde van een zodanige keuze, moet wel gezegd worden dat deze vieringen afgestemd moeten worden op het gehele pastorale aanbod van het bisdom. Deze experimenten zouden namelijk hun pedagogisch karakter verliezen indien ze als tegenstelling of parallel van de vieringen van de particuliere Kerk werden ervaren. In dit verband heeft de synode de nadruk gelegd op enkele criteria waaraan men zich moet houden: de kleine groepen moeten ertoe dienen de parochiegemeenschap te verenigen, niet te versplinteren, en dat moet blijken uit de concrete praktijk. Deze groepen moeten de vruchtbare deelname van de hele bijeenkomst bevorderen en daarbij zoveel mogelijk de eenheid van de individuele families in het liturgisch leven bewaren. [185] De met innerlijke deelname beleefde liturgieviering Mystagogische catechese 64. De grote liturgische traditie van de Kerk leert ons dat het voor een vruchtbare deelname nodig is persoonlijk te beantwoorden aan het gevierde mysterie, door het eigen leven in eenheid met het offer van Christus te geven voor het heil van de gehele wereld. Op grond hiervan heeft de bisschoppensynode de aanbeveling gedaan ervoor zorg te dragen dat bij de gelovigen een diepe overeenstemming bestaat tussen de innerlijke gesteldheid en de gebaren en woorden. Als die overeenstemming er niet is, lopen onze vieringen gevaar dat ze, hoe levendig ze ook mogen zijn, afglijden naar ritualisme. Daarom moet er worden gezorgd voor een educatief programma dat de gelovigen in staat zal stellen persoonlijk te beleven wat er wordt gevierd. Wat zouden met het oog op de essentiële betekenis van deze persoonlijke en bewuste participatio de passende didactische middelen zijn? De synodevaders hebben wat dit betreft eenstemmig de weg van de mystagogische catechese aanbevolen, die de gelovigen helpt steeds beter binnen te dringen in de gevierde mysteries. [186] Vooral vanwege de band tussen de ars celebrandi en de actuosa participatio moet op de eerste plaats worden bevestigd dat “de beste catechese over de Eucharistie de goed gevierde Eucharistie zelf is”. [187] De liturgie is namelijk van zichzelf pedagogisch effectief als het erom gaat de gelovigen binnen te voeren in de kennis van het gevierde mysterie. Ook al werd in de oudste tradities van de Kerk de systematische geloofskennis zeker niet verwaarloosd, toch lag de nadruk op de ervaring, waarbij de levende en overtuigende ontmoeting met Christus, bemiddeld door authentieke getuigen, doorslaggevend was. Daarom is degene die anderen binnenvoert in de mysteries op de eerste plaats de getuige. Deze ontmoeting wordt natuurlijk verdiept in de catechese en vindt haar bron en hoogtepunt in de Eucharistieviering. Deze fundamentele structuur van de christelijke ervaring is vereist voor een mystagogisch proces, waarin drie elementen altijd aanwezig moeten zijn: a) Het gaat bovenal om de interpretatie van de riten in het licht van de heilsgebeurtenissen, in overeenstemming met de levende overlevering van de Kerk. In de oneindige rijkdom van de Eucharistieviering wordt voortdurend verwezen naar de heilsgeschiedenis. In de gekruisigde en verrezen Christus kunnen wij inderdaad het alles samenbrengende middelpunt van de gehele werkelijkheid vieren (vgl. Ef. 1,10). Vanaf het begin heeft de christelijke gemeenschap de gebeurtenissen uit het leven van Jezus – en in het bijzonder het Paasmysterie – verstaan in relatie tot de gehele weg van het Oude Testament. b) Bovendien moet een mystagogische catechese ervoor zorgen dat mensen worden binnengevoerd in de betekenis van de tekenen die in de riten vervat zijn. Deze opgave is bijzonder dringend in een sterk technologische tijd als de onze, waarin het gevaar bestaat dat men het waarnemingsvermogen voor tekenen en symbolen verliest. De mystagogische catechese moet niet zozeer informatie bieden als wel de gevoeligheid van de gelovigen weer opwekken en stimuleren voor de taal van tekenen en gebaren die samen met het Woord de ritus vormen. c) Ten slotte moet de mystagogische catechese er zorg voor dragen de betekenis van de riten in verhouding tot het christelijk leven in alle dimensies aan te tonen: in werk en verplichting, in denken en voelen, in bezigheid en rust. Onderdeel van het mystagogisch proces is het verduidelijken van de band tussen de in de ritus gevierde mysteries en de missionaire verantwoordelijkheid van de gelovigen. In die zin is het tot volle wasdom gekomen resultaat van de mystagogie het besef dat het eigen leven door het vieren van de heilige geheimen steeds herschapen wordt. Bovendien is het doel van alle christelijke opvoeding de gelovige als “nieuwe mens” op te bouwen tot volwassen geloof, dat hem in staat stelt in zijn omgeving te getuigen van de christelijk hoop die hem bezielt. Om in onze kerkelijke gemeenschappen een dergelijk vormingsprogramma te kunnen realiseren is er behoefte aan daartoe opgeleide personen. Uiteraard moet het hele Godsvolk zich betrokken voelen bij deze voortschrijdende vorming. Iedere christelijke gemeenschap is geroepen een plaats te zijn van pedagogische inleiding in de mysteries die in geloof worden gevierd. Met betrekking hiertoe hebben de synodevaders de doeltreffendheid onderstreept van een grotere betrokkenheid van de gemeenschappen van godgewijd leven en van de nieuwe bewegingen, die door hun eigen charisma de christelijke vorming nieuw elan kunnen geven. [188] Ook in onze tijd is de heilige Geest zeker niet spaarzaam met zijn gaven om de apostolische zending te ondersteunen van de Kerk, die de taak heeft het geloof te verbreiden en op te bouwen tot rijpheid. [189] De eerbied voor de Eucharistie 65. Een overtuigend bewijs van de uitwerking die de eucharistische catechese op de gelovigen uitoefent is zeker het toenemende vermogen het mysterie te ervaren van de onder ons tegenwoordige God. Dat kan uitgedrukt worden door op bijzondere manieren eerbied te bewijzen jegens de Eucharistie, eerbied waarin het mystagogisch proces de gelovigen moet binnen leiden. [190] Ik denk overigens aan de betekenis van de gebaren en de houding, zoals het knielen bij de belangrijkste momenten van het Eucharistisch Gebed. Temidden van de legitieme verscheidenheid van tekenen die in de context van de verschillende culturen worden gebruikt, moet iedereen het levendige besef hebben, en daaraan ook uitdrukking geven, dat hij zich in iedere viering voor de oneindige majesteit van God bevindt, die deemoedig tot ons komt in de sacramentele tekenen. Aanbidding en eucharistische vroomheid De innerlijke band tussen liturgieviering en aanbidding 66. Een van de meest intense momenten van de synode was toen we, gezamenlijk met vele gelovigen, in de basiliek van St. Pieter bijeen kwamen voor de eucharistische aanbidding. Met dit teken wilde de bisschoppen-vergadering sterker dan alleen met woorden de aandacht richten op de betekenis van de innerlijke band tussen de Eucharistieviering en de aanbidding. In dit belangrijke aspect van het geloof van de Kerk ligt een van de beslissende elementen van de door het Tweede Vaticaans Concilie in gang gezette liturgische vernieuwing. Tijdens de eerste stappen van deze hervorming was de innerlijke band tussen de heilige Mis en de aanbidding van het Allerheiligst Sacrament dikwijls onvoldoende in beeld. Een wijdverbreide tegenwerping toentertijd was bijvoorbeeld de opmerking dat het eucharistisch brood ons niet was gegeven om ernaar te kijken maar om het te eten. In het licht van de gebedservaring van de Kerk is deze tegenstelling echter geheel ongegrond. De heilige Augustinus heeft al gezegd “Nemo autem illam carnem manducat, nisi prius adoravit;... peccemus non adorando” – Niemand eet dit vlees zonder het eerst te aanbidden … wij zouden zondigen als wij het niet eerst zouden aanbidden”. [191] In de Eucharistie komt de Zoon van God ons tegemoet en wil zich met ons verenigen. De eucharistische aanbidding is niets anders dan een natuurlijk uitvloeisel van de Eucharistieviering, die zelf de grootste daad van aanbidding van de Kerk is. [192] Het ontvangen van de Eucharistie is Hem aanbidden die wij ontvangen. Zo en alleen zo worden wij één met Hem en krijgen wij trouwens een zekere voorsmaak van de schoonheid van de hemelse liturgie. De aanbidding buiten de heilige Mis verlengt en intensiveert wat in de liturgieviering zelf gebeurt: “Alleen in aanbidding kan een diep en waarachtig ontvangen rijpen. En juist in deze allerpersoonlijkste ontmoeting met de Heer rijpt dan ook de sociale zending die vervat is in de Eucharistie en die niet alleen de grens tussen de Heer en ons wil openscheuren, maar bovenal ook de grenzen die ons van elkaar scheiden”. [193] De praktijk van de eucharistische aanbidding 67. Samen met de synodevergadering beveel ik daarom de herders van de Kerk en het Godsvolk van harte de eucharistische aanbidding aan, alleen of in gemeenschap. [194] In dit verband zal een goede catechese van groot nut zijn, waarbij aan de gelovigen de betekenis van deze vorm van eredienst wordt uitgelegd, die ons in staat stelt de liturgische viering diepgaander en vruchtbaarder te beleven. Voor zover mogelijk moeten dan vooral in dichtbevolkte gebieden kerken of oratoria voor de eeuwigdurende aanbidding worden bestemd en ingericht. Daarnaast beveel ik aan de kinderen bij het catechetisch onderricht, en in het bijzonder bij de voorbereiding op de eerste Communie, vertrouwd te maken met de betekenis en de schoonheid van het tijd doorbrengen bij Jezus en hen te helpen een gevoel van verwondering te ontwikkelen over zijn aanwezigheid in de Eucharistie. Hier wil ik mijn bewondering en steun tot uitdrukking brengen voor alle instituten van godgewijd leven waarvan de leden een aanzienlijk deel van hun tijd aan de eucharistische aanbidding wijden. Op deze manier geven zij aan allen het voorbeeld van mensen die zich laten vormen door de werkelijke tegenwoordigheid van de Heer. Ook wil ik de verenigingen van christengelovigen evenals de broederschappen bemoedigen, die deze devotie als bijzondere verplichting op zich genomen hebben. Ze worden zo als zuurdesem van beschouwing voor de hele Kerk en tot verwijzing naar Christus als middelpunt voor het leven van individuen en van gemeenschappen. Vormen van eucharistische vroomheid 68. De persoonlijke relatie van de individuele mens met Jezus, die in de Eucharistie aanwezig is, verwijst altijd naar het geheel van de kerkelijke gemeenschap, omdat deze in de mens het bewustzijn voedt dat hij behoort tot het Lichaam van Christus. Daarom nodig ik niet alleen individuele gelovigen uit persoonlijk tijd te vinden om in gebed voor het sacrament van het altaar te vertoeven, maar beschouw ik het als mijn plicht ook parochies en andere kerkelijke groeperingen te verzoeken momenten van gemeenschappelijke aanbidding in te stellen. Vanzelfsprekend behouden alle reeds bestaande vormen van eucharistische vroomheid hun waarde. Ik denk bijvoorbeeld aan eucharistische processies, op de eerste plaats de traditionele processie met Sacramentsdag, aan de vrome praktijk van het Veertigurengebed, aan de plaatselijke, nationale en internationale eucharistische congressen en andere vergelijkbare initiatieven. Op passende wijze geactualiseerd en aangepast aan de verschillende omstandigheden, verdienen deze vormen van vroomheid het ook nu nog bevorderd te worden. [195] De plaats van het tabernakel in de kerk 69. Gegeven de betekenis van de eucharistische aanbidding en de eerbied ten opzichte van het sacrament van het offer van Christus heeft de bisschoppensynode zich ook gebogen over de vraag wat de meest geschikte plaats voor het tabernakel in onze kerken is. [196] De juiste plaats helpt namelijk de waarachtige tegenwoordigheid van Christus in het Allerheiligst Sacrament te erkennen. Voor iedereen die de kerk binnen komt, moet de plaats waar het Allerheiligst Sacrament bewaard wordt duid |